Nieuwsbrief voor overheden

Op 5 maart 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een garage tot kamerverhuurcomplex. De vergunninghouder heeft daartoe drie bouwlagen gerealiseerd bovenop de bestaande garage. De omwonenden hebben geen bezwaar gemaakt tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning, waardoor dat besluit formele rechtskracht heeft gekregen.

Nadat het kamerverhuurcomplex werd gerealiseerd heeft de verhuurder er ongeveer 16 studenten gehuisvest. De omwonenden ervoeren overlast, kregen minder daglicht en hun privacy werd aangetast. Daarom hebben zij besloten om een vordering bij de burgerlijke rechter in te stellen. Zij vorderden dat de pandeigenaar veroordeeld werd tot de volledige afbraak van het kamerverhuurcomplex en dat het terrein weer in de originele staat van vóór de verbouwing moest worden gebracht. Deze vordering is gestoeld op artikel 5:37 BW (onrechtmatige hinder) en artikel 5:50 BW (onrechtmatige privacyschending).

In het licht van artikel 5:50 BW hebben de omwonenden betoogd dat de vensters zich binnen een afstand van twee meter van de erfgrens van de omwonenden bevinden. De rechtbank heeft tijdens een zogenoemde descente, de rechtbank komt dan ter plaatse om de situatie zelf te bekijken, geconstateerd dat de vensters uitzicht verschaffen in de keuken, de achterkamer en de tuin van omwonenden. Dat maakt echter volgens de rechtbank niet dat er sprake is van handelen in strijd met artikel 5:50 BW. De afstand tot de erfgrens is bovendien groter dan gesteld.

Over de schending van artikel 5:37 BW heeft de rechtbank anders geoordeeld. Op grond van dit artikel mag een eigenaar van een erf niet aan de eigenaar van een ander erf hinder toebrengen op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, zoals het onthouden van licht en lucht of door het veroorzaken van overlast. De rechtbank heeft met verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad (HR 21 oktober 2005, JOR 2006, 116) overwogen dat het hebben van een bouwvergunning met formele rechtskracht de houder, die overeenkomstig de bouwvergunning bouwt, niet vrijwaart van aansprakelijkheid wegens het veroorzaken van onrechtmatige hinder. In beginsel geldt echter dat de vergunninghouder er op mag vertrouwen dat de vergunning op grond van de wet is verleend en de daarbij in aanmerking te nemen belangen volledig en op de juiste manier zijn afgewogen.

In dit geval heeft de rechtbank overwogen dat uit de motivering van het collegebesluit niet volgt dat het college naast de getoetste publiekrechtelijke normen de belangen van omwonenden uitdrukkelijk bij zijn besluitvorming heeft betrokken en heeft afgewogen. De vergunninghouder mocht er om die reden niet zonder meer op vertrouwen dat het gebruik maken van de vergunde bouwmogelijkheden naar maatschappelijke omstandigheden en gelet op de plaatselijke situatie niet als onrechtmatige hinder zou kunnen worden beoordeeld.

De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat de omvangrijke opbouw door de onthouding van licht en uitzicht, gelet op de aard, ernst en duur daarvan, voor omwonenden een zeer aanzienlijke stoornis in het genot van hun eigendom oplevert. De door de vergunninghouder opgeworpen maatregelen om de hinder weg te nemen zouden volgens de rechtbank onvoldoende soelaas bieden. De rechtbank heeft daarom de gevorderde afbraak van de drie verdiepingen toegewezen.

Dat een onherroepelijke omgevingsvergunning niet altijd betekent dat de houder daarvan niets meer in de weg staat wisten we al. Deze uitspraak laat nog eens zien dat de burgerlijke rechter onder bepaalde omstandigheden rigoureuze maatregelen aan een vergunninghouder kan opleggen. De uitspraak roept ook de vraag op of de rechtbank anders geoordeeld zou hebben als het college wél de belangen van omwonenden expliciet in zijn overwegingen had betrokken.

Rb Noord-Nederland 5 oktober 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBNNE:2016:4439

Door mr. drs. A. Schreijenberg

"

Actualiteiten overzicht