Nieuwsbrief voor overheden

Appellant betrekt een woonwagen op een standplaats en schrijft zich op dat adres in. Door de gemeente Haarlem is vervolgens aan appellant voor dit adres een huisvestingsvergunning verleend. De gemeente start een procedure in eerste aanleg, waarin zij, samengevat, vordert dat voor recht wordt verklaard dat appellant de standplaats zonder recht of titel en dus onrechtmatig in gebruik heeft en dat hij wordt gevorderd tot een ontruiming daarvan. De rechtbank heeft dat toegewezen.

Appellant voert in hoger beroep drie grieven aan. Grief I houdt in dat de rechtbank ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten dat de gemeente geen belang heeft bij ontruiming door appellant. Bij grief II werpt appellant op dat hij door tijdsverloop er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de gemeente met het gebruik van de standplaats instemde. Met grief III komt appellant op tegen de proceskostenveroordeling.

Ten aanzien van grief I stelt appellant zich op het standpunt dat de gemeente ten aanzien van het woonwagenkamp een zogenoemd uitsterfbeleid hanteert, hetgeen inhoudt dat via natuurlijk verloop het woonwagenkamp uiteindelijk leeg zal komen te staan. Volgens appellant betekent dit beleid dat het nog tientallen jaren zal duren voordat alle woonwagens door verhuizing of overlijden van de bewoners leeg zullen komen te staan en daarmee ook de standplaatsen. Appellant vindt het daarom onbegrijpelijk dat juist zijn standplaats ontruimd moet worden. Hij stelt dat de gemeente aldus misbruik maakt van haar bevoegdheid door ontruiming van de standplaats te vorderen, omdat zij daarbij geen enkel belang heeft. Het hof overweegt hierover dat appellant niet heeft gesteld en noch is gebleken dat de gemeente haar bevoegdheid tot het vorderen van de ontruiming uitoefent met geen ander doel dan appellant te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Het uitsterfbeleid van de gemeente ziet op het legaal op het woonwagenkamp verblijvende bewoners en appellant verblijft aldaar zonder toestemming van de gemeente, dus niet legaal. Verder overweegt het hof dat de gemeente niet hoeft te dulden dat niet legale bewoners zich er vestigen en het vasthouden aan het uitsterfbeleid een te respecteren belang van de gemeente is. Het hof concludeert dat grief I faalt.

Ter toelichting op grief II heeft appellant gewezen op de datum van inschrijving in de GBA van 12 maart 2013, de datum van verlening van de huisvestingsvergunning van 22 april 2013 en het pas per 1 januari 2014 door de gemeente aansturen op tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis dat is gewezen tegen de voorgaande bewoners van de standplaats. Het hof verwijst naar de overweging van de rechtbank, inhoudende dat voor appellant steeds kenbaar is geweest dat de gemeente niet accepteerde dat hij gebruikmaakte van de standplaats. Ook stelt het hof vast dat, zoals appellant zelf ook in hoger beroep aanvoert, hij bij herhaling vergeefs geprobeerd heeft een huurovereenkomst te sluiten met de gemeente. Verder oordeelt het hof dat, gelet op het consistente standpunt van de afdeling vastgoed van de gemeente, ook toen appellant na ontvangst van de herhuisvestingsvergunning een poging deed om huur te voldoen, appellant niet gerechtvaardigd erop heeft mogen vertrouwen dat de gemeente met zijn gebruik van de standplaats instemde. Grief II faalt eveneens, evenals grief III.

Het hof bekrachtigt dan ook het vonnis, waarvan beroep.

Uit dit arrest kan worden geleerd dat bij gebruik zonder recht of titel en waarbij wel een huisvestingsvergunning is verleend, daarmee niet mag worden aangenomen dat met het gebruik wordt ingestemd.

Hof Amsterdam 17 mei 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHAMS:2016:1932

Door mr. L.A. Broekhuysen

"

Actualiteiten overzicht