Nieuwsbrief voor overheden

De gemeente Enschede vordert in kort geding de veroordeling van een bewoner tot ontruiming van de woning, aangezien deze zonder recht van de woning gebruik maakt.

Gedaagde stelt dat hij geen anti-kraakovereenkomst heeft gesloten, maar een contract op grond waarvan hij huurbescherming geniet. De gemeente zou aan hem hebben toegezegd dat hij een jaar ongestoord in de woning zou kunnen wonen. In juli 2015 zou het contract zijn getekend, maar omdat de vloer en de keuken nog ontbraken, was de woning pas in november 2015 bewoonbaar. Hij stelt dat hij hierdoor niet een jaar lang het ongestoord woongenot heeft gehad en daarom de woning niet heeft ontruimd.

De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen met betrekking tot de woning een gebruiksovereenkomst en geen huurovereenkomst hebben gesloten. Dit blijkt onder meer uit de brief van de gemeente die voorafgaand aan het sluiten van de gebruiksovereenkomst aan gedaagde is verzonden. Daarin staat het volgende:

“We bieden u een gebruiksovereenkomst aan voor de [adres] en geen tijdelijke huurovereenkomst. U betaalt immers geen huur, maar alleen de kosten van het door u verbruikte gas, water en elektriciteit.”

In de gebruiksovereenkomst staat het volgende:

“Partijen komen uitdrukkelijk overeen geen huurovereenkomst te willen sluiten en derhalve is op deze overeenkomst het huurrecht niet van toepassing.”

De voorzieningenrechter oordeelt dat de gemeente de gebruiksovereenkomst ruimschoots op tijd heeft opgezegd, en verder dat uit de correspondentie niet blijkt dat de gemeente zou hebben toegezegd dat gedaagde een jaar ongestoord de woning zou mogen bewonen. Ook oordeelt de voorzieningenrechter dat het feit, dat gedaagde de woning pas later dan 1 juni 2015 in gebruik heeft genomen, niet betekent dat de gebruikstermijn van in principe een jaar pas op dat latere tijdstip is gaan lopen. Dat is immers niet in de overeenkomst opgenomen. Daarnaast blijkt onder meer dat de omstandigheid dat de woning geen keuken bevatte bij gedaagde bekend was en voor hem geen reden was om de gebruiksovereenkomst niet te ondertekenen en dat hij daarvoor financieel was gecompenseerd. Aan de omstandigheid dat de woning wellicht op een later moment bewoonbaar was, kan dan ook geen grond worden ontleend om na 1 juni 2016 rechtsgeldig in de woning te mogen verblijven. Hieruit volgt dat de woning zonder recht of titel wordt bewoond en gebruikt.

Uit dit vonnis kan worden geleerd dat, uit het feit dat een pand later in gebruik wordt genomen, niet de conclusie kan worden getrokken dat de gebruikstermijn pas op dat latere tijdstip is gaan lopen.

Rb Overijssel 19 september 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBOVE:2016:3798

Door mr. L.A. Broekhuysen

"

Actualiteiten overzicht