Nieuwsbrief voor overheden
Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen had vergunning verleend voor het produceren, distilleren en bottelen van alcohol en niet-alcoholhoudende dranken. Volgens het college was er gedurende drie jaar na afgifte van de vergunning nooit gedistilleerd en daarom heeft het college de vergunning gedeeltelijk ingetrokken, voor zover het de activiteiten betreft die betrekking hebben op het stoken van whisky.
Op grond van artikel 2.33 tweede lid, aanhef en onder a van de Wabo kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Volgens de rechtbank bood artikel 2.33 tweede lid aanhef en onder a Wabo geen grondslag voor gedeeltelijke intrekking omdat er gedurende drie jaar wel andere handelingen op basis van de vergunning waren verricht.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen oordeelt de Afdeling dat uit de tekst van artikel 2.33 tweede lid aanhef en onder a Wabo niet volgt dat de bevoegdheid voor het geheel dan wel gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning alleen bestaat als in het geheel geen gebruik is gemaakt van die vergunning. Temeer gelet op de woorden “voor zover” in de tekst van het artikel, die erop duiden dat de bevoegdheid tot intrekken ook bestaat wanneer van een deel van de vergunning gedurende drie jaar geen gebruik is gemaakt. Volgens de Afdeling was er ook geen sprake van activiteiten die zozeer met elkaar samenhingen dat de vergunning om die reden niet gedeeltelijk kon worden ingetrokken.
Toch komt de Afdeling tot de slotsom dat het college niet in redelijkheid tot gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning had kunnen overgaan. Reden daarvoor is het betoog van het bedrijf dat het hem niet verweten kon worden dat geen gebruik was gemaakt van de vergunning voor zover die zag op het stoken van whisky. Volgens het bedrijf was de gemeente voornemens het terrein van de inrichting te verwerven om woningbouw mogelijk te maken. In afwachting daarvan heeft het bedrijf gewacht met forse investeringen in verband met de oprichting van de distilleerderij.
De Afdeling overweegt dat ten tijde van de vergunningverlening duidelijk was dat in de omgeving van de inrichting woningbouw zou worden gerealiseerd. Wat niet duidelijk was, waren de gevolgen daarvan voor de inrichting. Gelet op deze onzekerheid kon het bedrijf volgens de Afdeling redelijkerwijs niet worden verweten dat het heeft afgezien van de investeringen en dat het dus gedurende drie jaar geen gebruik heeft gemaakt van de vergunning voor zover die op het stoken van whisky ziet.
ABRvS 24 december 2013, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2013:2610
"