Nieuwsbrief voor overheden
In deze uitspraak ging het over de afwijzing van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een manege en het opleggen van een last onder dwangsom tegen – samengevat – het aanwezig hebben van die manege in strijd met het omgevingsplan. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss heeft de aanvraag om een omgevingsvergunning afgewezen omdat de manegevoorzieningen in strijd zijn met het bestemmingsplan “Buitengebied Oss 2020”, wat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Het college heeft daarbij overwogen dat de omgevingsvergunning voor deze activiteiten alleen kan worden verleend via een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In artikel 8.0a, lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat een Bopa alleen maar kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Volgens het college kan de vergunning niet worden verleend, omdat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In artikel 8.0b, lid 1 van het Bkl is bepaald dat een aanvraag omgevingsvergunning BOPA moet worden, en moet voldoen aan hoofdstuk 5 van het Bkl. In artikel 8.0b, lid 2 onder a van het Bkl is vervolgens bepaald dat een omgevingsvergunning BOPA geweigerd moet worden wanneer de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van in dit geval een regel uit hoofdstuk 5 van het Bkl.
Eén van de redenen waarom het college de vergunning heeft geweigerd, is dat er volgens het college ten onrechte geen onderzoek naar de stikstofdepositie van de aangevraagde activiteiten was toegevoegd aan de onderbouwing van de aanvraag. Volgens het college zijn er namelijk Natura 2000-gebieden aanwezig binnen een straal van 25 kilometer en moet daarom inzichtelijk worden gemaakt of de activiteiten significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het college heeft daarom verlangd dat een Aerius-berekening zou worden uitgevoerd, hetgeen niet is gebeurd. Volgens het college moet daarom worden getwijfeld aan de uitvoerbaarheid van de vergunning.
Appellante meent dat het college ten onrechte een Aerius-berekening heeft verlangd en voert aan dat de regels van hoofdstuk 5 Bkl niet zien op de gevolgen van een omgevingsplanactiviteit voor Natura 2000-gebieden. De omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is niet langer onlosmakelijk verbonden met de omgevingsvergunning voor een BOPA. Volgens appellante is er daarom geen grondslag om een Aerius-berekening te verlangen waaruit blijkt dat geen significante gevolgen zullen intreden voor de betrokken Natura 2000-gebieden.
De rechtbank oordeelt dat het college bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een BOPA niet uitputtend hoeft te beoordelen of significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden zullen optreden. De rechtbank merkt – terecht – op dat dat een taak is die voorbehouden is aan gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant. De rechtbank voegt toe dat er in deze zaak bovendien geen aanleiding is om aan te nemen dat dergelijke gevolgen op zullen treden, omdat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op meer dan 10 kilometer van het grondgebied van de gemeente Oss is gelegen. Er is daarom volgens de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van de aangevraagde omgevingsvergunning BOPA.
Deze uitspraak maakt duidelijk dat het weliswaar aan het college is om bij de beoordeling van een omgevingsvergunning BOPA te betrekken of sprake is van een vergunningplicht voor een niet aangevraagde Natura 2000-activiteit die aan de uitvoerbaarheid van de BOPA in de weg staat, maar dat die toetsing niet zo ver strekt dat het college in alle gevallen mag verlangen dat aanvrager aan de hand van objectieve gegevens onderbouwd dat van een dergelijke vergunningplicht geen sprake is. De voorlopige lijn in de jurisprudentie lijkt daarmee te zijn dat voldoende is dat er op voorhand geen aanleiding is om te twijfelen aan de uitvoerbaarheid.
Rb. Oost-Brabant 19 september 2025, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBOBR:2025:5801