Nieuwsbrief voor overheden

In oktober 2016 heeft de Centrale Raad een aantal uitspraken gedaan over de toegang van vreemdelingen tot een Wmo-voorziening. Deze uitspraken vloeien voort uit een bredere politieke en maatschappelijke discussie over de opvang van (uitgeprocedeerde) asielzoekers in Nederland.

Asielzoekers die geen verblijfsvergunning hebben gekregen kunnen worden opgevangen in een zogenaamde Vrijheidsbeperkende locatie (‘VBL’). Dit is een opvanglocatie waar men op grond van een vrijheidsbeperkende maatregel verblijft. Tijdens dit verblijf, van in beginsel maximaal twaalf weken, ligt de nadruk op terugkeer naar het land van herkomst. Indien geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd, kunnen uitgeprocedeerde asielzoekers op straat of in de niet-reguliere opvang terechtkomen.

Over de rechten van deze groep zijn diverse rechtszaken gevoerd. Het gaat om een aantal uitgeprocedeerde asielzoekers dat zichzelf heeft gemeld bij een VBL, waar hen vervolgens de toegang zou zijn geweigerd. Vervolgens hebben zij een aanvraag ingediend voor opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De rechtbank Amsterdam heeft bepaald dat in deze gevallen op grond van de Wmo een recht op toegang tot onderdak, voedsel en kleding bestaat. Op de Nederlandse Staat rust op grond van diverse internationale verdragen de positieve verplichting om hiervoor zorg te dragen. In dit kader is in diverse gemeenten, waaronder de gemeente Amsterdam, een zogenaamde ‘bed-bad-brood-voorziening’ ingesteld, waar men terecht kan voor een douche, avondeten, een slaapplaats en ontbijt.

Omdat zowel de gemeente Amsterdam als de vreemdelingen hoger beroep hadden aangetekend, lag de zaak vervolgens voor bij de Centrale Raad. De gemeente voerde aan dat de VBL een voorliggende voorziening is, waardoor de noodzaak van een Wmo-voorziening komt te vervallen. Door de vreemdelingen werd aangevoerd dat men zichzelf bij de VBL had gemeld voor opvang, die vervolgens was geweigerd.

De Centrale Raad overwoog dat het hoger beroep van de gemeente Amsterdam slaagt. Vanwege de mogelijkheid van opvang in een VBL hoeft geen Wmo-voorziening te worden toegewezen. Ten aanzien van de weigering van toegang tot de VBL verwijst de Centrale Raad de vreemdelingen naar de rechtbank en de Raad van State, die over de rechtmatigheid van deze weigering kunnen oordelen.

CRvB 12 oktober 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:3784

CRvB 19 oktober 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:3919

Door mr. M.E. Blesgraaf

"

Actualiteiten overzicht