Nieuwsbrief voor overheden
De Centrale Raad heeft recent een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigd. De rechtbank had begin 2016 geoordeeld dat mantelzorg in de vorm van huishoudelijke zorg niet afdwingbaar was. Het besluit van het college om een aanvraag voor een persoonsgebonden budget (pgb) af te wijzen, omdat betrokkene haar dochter kon vragen om haar vrijwillig en zonder vergoeding te helpen bij het huishouden, werd vernietigd. Zodra er betaling wordt geëist, is zorg niet langer mantelzorg. Verder kan mantelzorg niet worden afgedwongen, maar alleen vrijwillig worden verleend.
Tot eind 2014 ontving betrokkene onder de (oude) Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een pgb van 2 uur huishoudelijke hulp per week, waarvoor zij haar dochter inhuurde. Toen het pgb verliep, voerde het college een huisbezoek uit. Naar aanleiding van dit bezoek besloot het college vervolgens om het pgb van betrokkene niet te verlengen, nu betrokkene een beroep kon doen op haar sociale netwerk. Zij kon haar dochter vragen om mantelzorg te verlenen en haar in dat verband (zonder vergoeding) te helpen bij het huishouden. Daarbij woog het college mee dat het gaat om een beperkt aantal van twee uur per week, dat de dochter vlakbij woont en dat zij geen betaalde baan heeft.
Betrokkene tekende bezwaar tegen dit besluit aan, omdat haar dochter had aangegeven alleen te willen helpen bij het huishouden als zij hier (vanuit het pgb) voor betaald werd. Na bezwaar handhaafde het college haar standpunt dat betrokkene de mogelijkheid heeft om een beroep te doen op haar sociale netwerk.
In haar uitspraak (Rb Zeeland-West-Brabant 9 februari 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:899) stelt de rechtbank vast dat het college onvoldoende onderzocht heeft of de dochter de mantelzorg ook nog zou verlenen als zij hiervoor niet meer betaald zou worden. Vanwege dit onderzoeks- en motiveringsgebrek vernietigt de rechtbank het bestreden besluit.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank. In haar uitspraak van 11 januari 2017 oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat ook bij het nemen van het primaire besluit duidelijk was dat de dochter haar mantelzorg zou staken als zij hiervoor niet langer zou worden betaald. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis bij de Wmo 2015 concludeert de Centrale Raad dat indien voor zorg een betaling wordt geëist, deze zorg niet langer worden aangemerkt als mantelzorg. Bij mantelzorg moet het gaan om vrijwillig verleende zorg, die niet door het college kan worden afgedwongen. De Centrale Raad voorziet vervolgens zelf in de zaak en kent betrokkene in 2015 een pgb toe, waarmee zij haar dochter kan inhuren om haar te ondersteunen bij huishoudelijke taken.
CRvB 11 januari 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2017:17.
Door Marlies Blesgraaf
"