Nieuwsbrief voor overheden

Sinds het Bargerbeek-arrest (HR 9 oktober 1981, NJ 1982, 332) is vaste jurisprudentie dat bij de vraag of een overheid ontoereikend onderhoud heeft gepleegd en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, de beschikbare mensen en (financiële) middelen van groot belang zijn. Inzake de alom bekende kadeverschuiving bij Wilnis (HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236) blijkt dat die vraag ook een rol speelt bij de beoordeling of de overheid (kwalitatief) aansprakelijk kan worden gehouden voor gebrekkige opstallen die zij in eigendom heeft (artikel 6:174 lid 1 BW).

In een recent arrest heeft de Hoge Raad grenzen gesteld aan het verweer van de overheid dat het onvoldoende onderhoud haar niet kon worden verweten omdat het geld op was.

Het draaide allemaal om een fietspad met daarnaast in de berm grasbetonklinkers. Tussen het fietspad en de berm zat een spleet. Medio 2007 is een racefietser, die werd ingehaald door een vrachtauto, uitgeweken en met het voorwiel in de spleet geraakt. Hij is ten val gekomen en onder de aanhangwagen van de vrachtwagen geschoven. Een en ander met zwaar letsel tot gevolg. De WAM-verzekeraar van de vrachtauto, die gehouden was uit te keren aan de racefietser, heeft de gemeente als wegbeheerder aansprakelijk gesteld omdat de weg niet zou hebben voldaan aan de eisen die men daar aan de gegeven omstandigheden mocht stellen en daardoor gevaar opleverde voor personen of zaken (artikel 6:174 BW).

Als eerste diende beoordeeld te worden of de weg gebrekkig was. Zoals te doen gebruikelijk wordt in zo’n geval aansluiting gezocht bij objectieve normen. In dit geval het “Handboek veilige inrichting van bermen” van CROW. Aan de hand van deze normen heeft een deskundige de weg beoordeeld. Aan de hand van zijn rapport is in rechte komen vast te staan dat weg en berm als een geheel moeten worden beschouwd, maar dat de enkele omstandigheid dat er een spleet tussen weg en berm aanwezig is de weg nog niet gebrekkig maakt. Echter, de berm moet wél een veilige uitwijkmogelijkheid voor fietsers bieden. Daar schortte het in dit geval aan, zodat de spleet, met een breedte van 3 tot 6 centimeter en een diepte tot 8 centimeter, er in dit geval toe leidde dat de weg als gebrekkig werd bestempeld.

Vervolgens kwam het verweer van de gemeente aan de orde, dat de (financiële) middelen te beperkt waren om overal de vereiste maatregelen te treffen om de weg veilig te maken. De Hoge Raad oordeelde als volgt over dit verweer:

“Indien, zoals in het onderhavige geval, de eiser stelt dat de schade is ontstaan doordat de openbare weg gebrekkig is, en het aangesproken overheidslichaam (in dit geval: de Gemeente) dat ervoor moet zorgen dat de weg in goede staat verkeert, zich als verweer (mede) erop beroept dat de financiële middelen te beperkt waren om de vereiste maatregelen te treffen, ligt het op de weg van dat overheidslichaam dit verweer voldoende te onderbouwen; het gaat daarbij immers om feiten en omstandigheden die in zijn domein liggen. De enkele stelling van het overheidslichaam dat de financiële middelen ontoereikend waren, zal in de regel niet volstaan.”

Een beroep op onvoldoende financiële én personele capaciteit én de beleidsvrijheid die een overheid heeft om mensen en middelen in te zetten speelt dus (nog steeds) een grote rol bij het aansprakelijkheidsvraagstuk, maar een overheid moet meer doen dan volstaan met algemene stellingen.

Voor een overheid die nu eenmaal heeft te kampen met een beperkte hoeveelheid mensen en middelen hoeft het dus niet elke dag een tien te zijn waar het aankomt op haar prestaties, maar de overheid zal wel steeds moeten aantonen dat zij binnen deze grenzen en met inachtneming van haar beleidsvrijheid, al het nodige heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar verlangd kon worden. Slechts roepen dat er onvoldoende geld was, is onvoldoende.

HR 4 april 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2014:831

Door mr. R.M. Pieterse

"

Actualiteiten overzicht