Nieuwsbrief voor overheden

Twee medewerkers hadden een arbeidsovereenkomst met een stichting die subsidie ontving van de provincie Overijssel. Voor hen had deze stichting een zogeheten B3-status, op grond waarvan zij als ambtenaar werden aangemerkt in de zin van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds. Ook waren door de stichting de primaire arbeidsvoorwaarden van hoofdstuk H van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies van toepassing verklaard. Toen de provincie Overijssel de subsidie beëindigde, werd de stichting evenwel failliet verklaard. De curator heeft de arbeidsovereenkomsten tussen betrokkenen en de stichting beëindigd. Zij richtten zich vervolgens tot de provincie met een verzoek om de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering toe te kennen of hen een passende functie bij de provincie aan te bieden.

De Centrale Raad legt uitvoerig uit waarom hiervoor geen grondslag bestaat. Betrokkenen hadden geen arbeidsverhouding met de provincie en hebben hun positie bij de (inmiddels failliete) stichting als grondslag voor hun aanspraken aangewezen. Partijen waren het er echter over eens dat de provinciale Regeling aanvullende voorziening bij werkloosheid voor betrokkenen geen rechtstreekse aanspraak op een bovenwettelijke uitkering bood. De Centrale Raad bevestigt dat de B3-status van de stichting en de subsidierelatie tussen de stichting en de provincie niet meebrengen dat betrokkenen wel onder het toepassingsbeleid van de regeling vallen. Dat gedeputeerde staten in het verleden aan de stichting uitkeringen heeft vergoed die de stichting aan ontslagen werknemers uitbetaalde, dat de provincie aan het bestuur van de stichting heeft toegezegd om garant te staan voor eventuele wachtgelden van B3-medewerkers en dat de provincie eigen risicodrager is voor de WW en de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering maken dit niet anders. Voor zover de provincie zich garant heeft gesteld voor eventuele wachtgelden van B3-medewerkers en uit hoofde hiervan in het verleden ook daadwerkelijk uitkeringen heeft vergoed die de stichting aan ontslagen werknemers uitbetaalde, heeft naar het oordeel van de Centrale Raad louter betrekking op de relatie tussen de provincie als subsidiegever en de stichting en is niet gelijk te stellen met een aanspraak van een belanghebbende op een uitkering van de provincie. De verzoeken van betrokkenen aan het provinciebestuur om hen passende functies aan te bieden stonden los van enige concrete vacature bij de provincie en waren er feitelijk op gericht dat de provincie aandacht aan hen zou besteden en zou proberen een functie voor hen te vinden. De verzoeken waren naar het oordeel van de Centrale Raad niet gericht op het nemen van een besluit en dus niet aan te merken als aanvraag, zodat de reactie daarop niet als een besluit kan worden gezien waartegen bezwaar kon worden gemaakt.

De Centrale Raad bevestigt tenslotte dat de vraag of de garantiestelling van de provincie voor eventuele wachtgelden zou kunnen leiden tot ambtenaarschap in de zin van de Ambtenarenwet of een andere rechtens relevante publiekrechtelijke relatie met betrokkenen, hier niet relevant is. De omvang van de gedingen werd namelijk begrensd door de besluiten van gedeputeerde staten die betrekking hadden op het recht op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering en een passende functie. Op die besluiten is de Centrale Raad in de uitspraak uitvoerig ingegaan.

CRvB 17 maart 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:950

Door mr. drs. B.F.Th. de Moor

"

Actualiteiten overzicht