Nieuwsbrief voor overheden
De gemeente Groningen wilde de dagopvang voor daklozen van het Leger des Heils verplaatsen van de Spilsluizen naar het gemeentelijk pand aan de Nieuwe Boteringestraat 28-30, omdat het pand te klein was geworden en de huurovereenkomst afliep. Na een moeizaam participatietraject, waarin de omwonenden in een eerder kort geding van 19 januari 2026 vier weken respijt hadden gekregen om hun zienswijzen in te dienen, stelde de gemeente op 24 maart 2026 het eindverslag van de participatie vast en besloot zij op 25 maart 2026 tot de verhuizing. Op 6 mei 2026 stemde de gemeenteraad in met een uitvoeringskrediet van 4,2 miljoen euro voor verbouwing en verduurzaming van het pand. De omwonenden dagvaardden de gemeente opnieuw en vorderden een verbod op de verhuur.
Participatie: luisteren verplicht niet tot beantwoording van alle vragen
De omwonenden betoogden dat de gemeente de Participatieverordening had geschonden door in het eindverslag niet alle gestelde vragen te beantwoorden en een gesprek te weigeren. De voorzieningenrechter verwierp dit betoog. Op grond van artikel 150 van de Gemeentewet en de Participatieverordening staat het een gemeente vrij zelf te bepalen welke participatievorm zij kiest. De gemeente had gekozen voor informeren en luisteren, de lichtste variant. Uit die keuze volgt een verplichting om kennis te nemen van de meningen van omwonenden en niet om op iedere gestelde vraag expliciet te antwoorden. Veel vragen van omwonenden hadden bovendien geen betrekking op het onderwerp van de participatie, maar op aanbesteding en subsidiëring van het Leger des Heils, onderwerpen die buiten de participatie vielen. De gemeente had in het eindverslag de zienswijzen per thema behandeld en daarmee aan haar verplichtingen voldaan. Dat zij de opvattingen van omwonenden niet doorslaggevend heeft laten zijn, was haar beslissing om te maken.
Veiligheidsrisico's: enige overlast hoort erbij
De omwonenden voerden ook aan dat de locatie vanuit veiligheids- en medisch perspectief ongeschikt was en wezen daartoe op een veiligheidsrapport, een brief van deskundigen, wetenschappelijk onderzoek en gemeentelijke overlaststatistieken. De voorzieningenrechter erkende dat daklozenopvang inherent enige overlast met zich brengt, maar oordeelde dat omwonenden dat hebben te dulden: het voorzien in dergelijke opvang is een gemeentelijke taak die ergens moet worden vervuld. De omwonenden hadden niet aannemelijk gemaakt dat de risico's en overlast op deze locatie, ook na de door gemeente en Leger des Heils aangekondigde maatregelen, waaronder een veiligheidsplan en omgevingsoverleg, zo uitzonderlijk groot zouden zijn dat de verhuur onrechtmatig werd. Uit geen van de overgelegde rapporten bleek dat de veiligheidsrisico's bij de Nieuwe Boteringestraat hoger lagen dan bij andere denkbare opvanglocaties in de binnenstad.
Staatsteun en aanbesteding: omwonenden vallen buiten de beschermde kring
Het meest principiële oordeel betreft de staatsteun- en aanbestedingsgronden. De omwonenden stelden dat de toekomstige subsidie aan het Leger des Heils voor de huur verboden staatsteun zou zijn in de zin van artikel 107 VwEU, en dat de opdracht voor de daklozenopvang aanbestedingsplichtig was op grond van EU-richtlijn 2014/24/EU. De voorzieningenrechter verwierp beide gronden om dezelfde reden: de rechtsplicht waarvan naleving werd gevorderd, strekte niet tot bescherming van het belang van de omwonenden. Het staatsteunverbod beoogt te voorkomen dat overheidssteun de markt verstoort ten nadele van concurrerende ondernemers. De omwonenden exploiteren echter geen met het Leger des Heils concurrerende onderneming. Het aanbestedingsrecht beoogt alle ondernemers een eerlijke kans te geven op overheidsopdrachten; de omwonenden zijn geen ondernemers in de daklozenopvang. Een beroep op het algemeen belang baatte de omwonenden evenmin: dat belang valt buiten de bescherming van artikel 6:162 BW.
De uitspraak biedt een helder overzicht van de grenzen waarbinnen omwonenden een gemeentelijk besluit over de vestiging van een maatschappelijke voorziening civielrechtelijk kunnen aanvechten. Participatieverplichtingen zijn reëel maar beperkt. Veiligheidsargumenten vragen om concrete onderbouwing dat de gekozen locatie slechter is dan alternatieven en staatsteun- en aanbestedingsnormen beschermen omwonenden in beginsel niet: zij zijn er voor marktdeelnemers, niet voor buurtbewoners die overlast vrezen.
Rb. Noord-Nederland 10 juni 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBNNE:2026:2211.