Nieuwsbrief voor overheden
Begin december 2017 zijn twee uitspraken gepubliceerd van Nederlands’ hoogste rechtscolleges over de grenzen aan het softdrugs gedoogbeleid. Een uitspraak van de Hoge Raad van 1 december 2017 en de bijbehorende conclusie van de AG laten zien dat burgemeesters bevoegd zijn, en dat het niet onrechtmatig is, om nieuw coffeeshopbeleid vast te stellen dat geen ruimte meer biedt voor gedoogverklaringen. Een uitspraak van de Afdeling van 6 december 2017 laat zien dat overtredingen van onder andere de Opiumwet de intrekking van een exploitatievergunning van een coffeeshop rechtvaardigen.
De Hoge Raad heeft op 1 december 2017 een uitspraak van het hof Amsterdam van 5 juli 2016 bekrachtigd, waarin het hof had geoordeeld dat:
- een gewijzigd gedoogbeleid niet in strijd met het specialiteitsbeginsel is;
- het algemeen belang groter is dan het belang van coffeeshophouders; en
- er aan het exploiteren van een coffeeshop het risico kleeft dat een gedoogverklaring wordt ingetrokken, zodat nadeelcompensatie niet aan de orde is.
De zaak was aanhangig gemaakt door een Amsterdamse coffeeshophouder die meende dat hij door het door de gemeente ingezette beleid om de kwaliteit van het Wallengebied te verbeteren onrechtmatig werd getroffen. Met deze uitspraak is (nog eens) duidelijk geworden dat coffeeshophouders aan het gedoogbeleid weinig rechten kunnen ontlenen.
De coffeeshophouders komt wel bestuursrechtelijke rechtsbescherming toe. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2017 blijkt echter dat de burgemeester van Utrecht zich bij voldoende constateringen van overtredingen in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat onvoldoende gewaarborgd was dat een coffeeshop geëxploiteerd werd zonder de openbare orde, veiligheid, de zedelijkheid en het woon- en leefklimaat in de omgeving in gevaar te brengen. Op deze in de Horecaverordening neergelegde gronden kon de burgemeester de exploitatievergunning van een coffeeshop intrekken.
De vraag of een besluit om een horecabedrijf niet langer als coffeeshop te gedogen, zoals de burgemeester van Utrecht ook had genomen, een besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb) is blijft in de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2017 onbesproken, want dit is door appellanten niet opgeworpen. Dat is op zich jammer, aangezien dit door de burgemeester ingenomen standpunt op zijn minst voor discussie vatbaar is. Wellicht dat hierover in de toekomst nog eens duidelijkheid wordt geschapen.
HR 1 december 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2017:3052
ABRvS 6 december 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2017:3359
Door Ad Schreijenberg
"