Nieuwsbrief voor overheden

Omwonenden van een ponyhof dienen een handhavingsverzoek in, omdat aan de rijhal van het ponyhof geen geldige omgevingsvergunning ten grondslag zou liggen. Het college betoogt onder verwijzing naar de zogenoemde Tegelen-jurisprudentie dat dat wel het geval is. De Afdeling volgt het college in dat standpunt.

Wat hield de Tegelen-jurisprudentie ook weer in? Deze jurisprudentie heeft betrekking op de situatie waarin het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning voor bouwen verleent op basis van een bestemmingsplan dat nog niet onherroepelijk is. Vervolgens speelt de vraag of een vernietiging van (het relevante plandeel van) het bestemmingsplan door de Afdeling gevolgen heeft voor de omgevingsvergunning. Waar een beslissing op bezwaar onder de werking van het nieuwe bestemmingsplan is genomen, omdat dat plan toen in werking was, moet de rechter bij de toetsing van de beslissing op bezwaar uitgaan van het nieuwe bestemmingsplan. Dat geldt ook in de situatie waarin het bestemmingsplan na het nemen van de beslissing op bezwaar is vernietigd.

In een uitspraak van 1 februari 2017 kwam deze Tegelen-jurisprudentie weer aan de orde. De zaak gaat over een verzoek om handhavend op te treden tegen de rijhal van een ponyhof in Roermond, omdat daar - gezien de vernietiging van het bestemmingsplan waarop de vergunning is gebaseerd - geen geldige omgevingsvergunning meer aan ten grondslag ligt. Het college heeft het verzoek afgewezen onder verwijzing naar de Tegelen-jurisprudentie. Het stelt dat de vernietiging van het bestemmingsplan niet met zich brengt dat de omgevingsvergunning met terugwerkende kracht is komen te vervallen.

De Afdeling volgt het standpunt van het college en wijst er op dat de Afdeling op 8 april 2015 uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep over de omgevingsvergunning voor de bouw van rijhal. In die uitspraak heeft de Afdeling vastgesteld dat het college de omgevingsvergunning had verleend met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 1° van de Wabo. Het bouwplan paste immers niet binnen het toen geldende bestemmingsplan. Om die reden was de Tegelen-jurisprudentie niet op de omgevingsvergunning van toepassing. De Afdeling legt vervolgens in een heldere rechtsoverweging (r.o. 7) uit welke gevolgen dat heeft:

“Dat de zogenoemde Tegelen-jurisprudentie niet op de omgevingsvergunning van toepassing is en de uitzondering op het bepaalde in artikel 8:72, tweede lid, van de Awb, daarom niet aan de orde was, betekent - anders dan [appellant sub 1A] en anderen kennelijk veronderstellen - niet dat de vernietiging van het bestemmingsplan automatisch de vernietiging van de omgevingsvergunning tot gevolg heeft gehad, of tot gevolg heeft dat de omgevingsvergunning nietig is. Een omgevingsvergunning wordt niet van rechtswege ongeldig als het bestemmingsplan dat eraan ten grondslag ligt, wordt vernietigd, omdat zij niet als rechtsgevolg van het vernietigde bestemmingsplan kan worden aangemerkt. Vernietiging van het bestemmingsplan leidt er slechts toe dat een omgevingsvergunning die op grond daarvan is verleend, blootstaat aan vernietiging zolang de vergunning niet onherroepelijk is. Dat betekent dat een bestuursorgaan in een bezwaarprocedure tegen een vergunning die nog niet in rechte onaantastbaar is, aan deze vergunning niet met succes het vernietigde bestemmingsplan ten grondslag kan leggen. Als de zogenoemde Tegelen-jurisprudentie niet van toepassing is, geldt dat in een beroepsprocedure tegen zo een vergunning eveneens.”

Omdat er in dit geval een rechtsgeldige omgevingsvergunning werd verleend, was het college niet bevoegd om het handhavingsverzoek in te willigen en handhavend op te treden tegen de rijhal van het ponyhof.

ABRvS 1 februari 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2017:247

Door Ad Schreijenberg

"

Actualiteiten overzicht