Nieuwsbrief voor overheden

De gemeente Rotterdam biedt middels een onvoorwaardelijke biedprocedure in de zin van de Mededeling van de Europese Commissie betreffende staatssteunelementen bij de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties een perceel onroerend goed te koop aan.

Een inschrijver klaagt: de concurrentie was mogelijk al een maand eerder door de plaatsing van een bord bij het perceel op de hoogte van de verkoopplannen van de gemeente, alvorens de verkoopbrochure aan deze inschrijver werd toegezonden.

De voorzieningenrechter Rotterdam oordeelt dat niet valt in te zien dat deze mogelijke ongelijkheid zou kunnen hebben geleid tot een dusdanige kennisvoorsprong dat dit heeft kunnen leiden tot concurrentievervalsing. Immers, de inschrijving moest pas worden gedaan op een termijn van zeven weken na toezending van de verkoopbrochure. Dat gaf voldoende tijd om een inschrijving te doen.

Verder wordt onder meer geklaagd dat deze termijn van zeven weken te kort is, omdat de Europese Commissie een termijn van twee maanden als minimum voorschrijft. Daarom zou het object niet voldoende openbaar zijn gemaakt.

Deze en andere bezwaren worden door de voorzieningenrechter terzijde geschoven op de grond dat de inschrijver te laat was om deze bezwaren kenbaar te maken. Dat deed hij namelijk pas twaalf weken na ontvangst van de verkoopbrochure en drie weken na de inschrijving. Hij had zijn bezwaren in een eerder stadium, in ieder geval vóór het indienen van de inschrijving aan de gemeente moeten kenbaar maken.

Een dergelijk verweer, het zogenoemde ‘Grossman-verweer’, wordt ook vaak gevoerd in aanbestedingsprocedures.

Rb Rotterdam 2 juni 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBROT:2016:4134

Door mr. U.T. Hoekstra

"

Actualiteiten overzicht