Nieuwsbrief voor overheden
In een recente uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden komt de vraag aan de orde of belanghebbende een bedrag aan leges moet betalen na een (vermeende) toezegging van de wethouder.
Aan belanghebbende zijn door de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen leges in rekening gebracht ten bedrage van € 4.954,30 ter zake het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning. Het betrof een in 2012 ingediende aanvraag omgevingsvergunning voor het wijzigen van het bestemmingsplan en voor het verbouwen van een pand.
Belanghebbende was echter met de gemeente Nijmegen in onderhandeling omtrent de vraag tot welk bedrag hij diende bij te dragen in de kosten die de gemeente moest maken teneinde de door hem gewenste wijziging van het bestemmingsplan te realiseren. De financiële bijdrage die belanghebbende moest betalen bedroeg volgens de gemeente Nijmegen € 42.000,-.
Op 22 april 2013 heeft een gesprek plaatsgehad tussen belanghebbende (met zijn gemachtigden) en vertegenwoordigers van de gemeente Nijmegen. In dit gesprek is het door de gemeente berekende bedrag aan gemeentelijke plankosten aan de orde gesteld. In dat kader heeft belanghebbende verzocht om een schriftelijke onderbouwing van deze kosten en heeft hij de vraag gesteld of aan hem kosten in rekening zouden worden gebracht indien hij zou besluiten om de aanvraag in te trekken. Uit een e-mail 22 april 2013 van de gemeente Nijmegen aan belanghebbende blijkt dat indien belanghebbende zou stoppen met de procedure er niets in rekening wordt gebracht.
Op 1 juli 2013 vond een gesprek plaats tussen belanghebbende en de gemeente Nijmegen waar ook de wethouder Stedelijke Ontwikkeling bij aanwezig was. Tijdens dit gesprek is gesproken over de intrekking van de aanvraag en de daarmee gemoeide kosten. Tijdens dit gesprek is ook de e-mail van 22 april 2013 aan de orde gekomen.
Op 4 juli 2013 heeft belanghebbende de gemeente schriftelijk meegedeeld dat hij de aanvraag omgevingsvergunning wenste in te trekken. Deze intrekking is door de gemeente Nijmegen op 1 november 2013 schriftelijk bevestigd waarbij belanghebbende tevens is medegedeeld dat leges verschuldigd waren voor een bedrag van € 4.954.30.
Uit een door de wethouder opgemaakte verklaring van 10 november 2014 blijkt dat in het gesprek op 1 juli 2013 uitsluitend is gesproken over het intrekken van de aanvraag voor het bestemmingsplan en de daarmee gepaard gaande kosten. Er is niet gesproken over de bouwaanvraag en de wethouder was niet bekend dat er door belanghebbende tegelijkertijd een bouwplan was ingediend. Als het wel over het intrekken van het bouwplan was gegaan had de wethouder niet ingestemd met het intrekken van de legeskosten.
Belanghebbende is echter van mening dat door de toezegging van de wethouder hij geen leges dient te betalen. Het hof is van oordeel dat belanghebbende dit aannemelijk dient te maken maar daar is belanghebbende niet in geslaagd, aldus het hof.
Belanghebbende was met de gemeente Nijmegen in overleg omtrent de vraag tot welk bedrag hij de kosten zou vergoeden welke de gemeente zou moeten maken om de door hem gewenste bestemmingsplanwijziging door te voeren. De bedoeling was dat partijen deze bijdrage in een civielrechtelijke overeenkomst zouden vastleggen. Belanghebbende en de gemeente zijn omtrent deze kosten niet tot een vergelijk gekomen omdat belanghebbende de kosten ad € 42.000.- excessief hoog achtte.
Het hof is van mening dat een eventuele toezegging dus enkel kan zien op deze kosten en niet op eventueel verschuldigde leges. De leges waren immers geen onderwerp van het gesprek geweest. Belanghebbende, die zich ook liet bijstaan door deskundigen, kon uit de toezegging in redelijkheid niet anders begrijpen dan dat het niet ging over de betaling van leges. Volgens het hof faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.
Hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2015:8744
Door mr. B. de Smit
"