Nieuwsbrief voor overheden

In een uitspraak van 14 juli 2016 oordeelde de Centrale Raad over het inzetten van cameratoezicht op de werkplek. Appellante was werkzaam als leerkracht bij een basisschool. Omdat regelmatig waardebonnen en een geldbedrag uit de kluis van de school verdwenen, is een beveiligingsbedrijf gevraagd om verborgen camera’s op te hangen. Hiermee werd geregistreerd dat de leerkracht degene was die diefstal pleegde.

In eerste aanleg oordeelde de bestuursrechter al dat het inzetten van verborgen camera’s geen overschrijding van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) opleverde. Vanwege toerekenbaar plichtsverzuim mocht de school onvoorwaardelijk strafontslag opleggen. In hoger beroep gaf appellante toe dat zij de verweten gedraging heeft begaan en dat dit plichtsverzuim oplevert. Wel stelde zij dat het schoolbestuur onrechtmatig zou hebben gehandeld door het (laten) ophangen van de verborgen camera’s. Tevens was er volgens appellante geen sprake van toerekenbaar handelen.

De Centrale Raad onderstreepte het oordeel van de rechtbank, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie (CRvB 19 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2120 en CRvB 10 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD8005). Ten aanzien van het heimelijke cameratoezicht herhaalde de Centrale Raad dat de inzet hiervan op grond van artikel 43 Wbp is toegestaan indien sprake is van een vermoeden van onrechtmatig of strafbaar handelen. Ook het gestelde ontbreken van toerekenbaarheid was geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen. De Centrale Raad verklaart het beroep van appellante dan ook ongegrond.

Onder de noemer ‘plichtsverzuim’ valt een waaier van gedragingen, variërend van lichte vormen van plichtsverzuim tot (zeer) ernstige vormen, die soms tegelijkertijd ook een strafbaar feit opleveren. Heimelijk cameratoezicht kan niet zomaar worden ingezet bij ieder vermoeden van plichtsverzuim. Vanwege de vergaande inbreuk op de privacy is de inzet van heimelijk cameratoezicht beperkt tot vermoedens van onrechtmatig of strafbaar handelen en alleen toegestaan onder strenge voorwaarden.

Zo moet het toezicht op grond van de Wbp zijn toegestaan (camerabeelden zijn persoonsgegevens in de zin van de Wbp) en moet worden getoetst of het voldoet aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Heimelijk cameratoezicht mag alleen tijdelijk van aard zijn en mag slechts worden toegepast voor de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. Er moet altijd vooraf een melding worden gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens, die tevens het verzoek moet krijgen om een ‘voorafgaand onderzoek’ uit te voeren. Na afloop van het toezicht moet aan de betrokken partijen worden gemeld dat het toezicht heeft plaatsgevonden. Tot slot heeft de OR een instemmingsrecht voorafgaand aan de inzet van geheim cameratoezicht (artikel 27 Wet op de ondernemingsraden). Slechts onder strenge voorwaarden kan heimelijk cameratoezicht dus worden ingezet bij een vermoeden van plichtsverzuim.

CRvB 14 juli 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:2662

Door mr. M.E. Blesgraaf

"

Actualiteiten overzicht