Nieuwsbrief voor overheden
Het hof ’s-Hertogenbosch heeft in een recente uitspraak nog eens duidelijk gemaakt wanneer een opdracht opnieuw moet worden aanbesteed. Het ging om de vraag of een overeenkomst tot verwerking van vrijkomend afval, na vele jaren al dan niet opnieuw zou moeten worden aanbesteed.
Het argument van de geïnteresseerde partij was dat er inmiddels zodanige wijzigingen waren, met name op het gebied van duurzaamheidscriteria, dat er sprake was van een wezenlijke wijziging in de dienstverleningsovereenkomst als bedoeld in het bekende Pressetext-arrest (HvJ 19 juni 2008, C-454/06).
Eveneens met verwijzing naar het Pressetext-arrest komt het hof tot de conclusie dat een belangrijke wijziging niet altijd wezenlijk hoeft te zijn: “(…) een wijziging die het economisch evenwicht van een overeenkomst inzake aanbesteding niet in het voordeel van de opdrachtnemer wijzigt, hoe belangrijk die in economisch opzicht ook moge zijn voor de opdrachtgever, houdt geen wezenlijke wijziging in de hier bedoelde zin in.”
In de praktijk komen we ook regelmatig de tegenovergestelde vraag tegen:
Is heraanbesteding zonder wezenlijke wijziging van de opdracht geoorloofd? Het antwoord daarop is te vinden in de uitspraak van de voorzieningenrechter rechtbank Noord-Nederland van 11 januari 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:BY8197 en luidt bevestigend. Als er sprake is van een ernstig procedureel gebrek omdat gunningscriteria niet op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze zijn geformuleerd, kan een aanbestedende dienst de aanbesteding intrekken en tot heraanbesteding besluiten. Echter, let op: als er slechts sprake is van wijziging op ondergeschikte punten kunnen het gelijkheids- en transparantiebeginsel met zich meebrengen dat de opdracht niet opnieuw mag worden aanbesteed vanwege het risico van ongeoorloofde manipulatie. Het is immers niet de bedoeling dat de aanbestedende dienst de uitslag naar zijn hand zet.
Conclusie: heraanbesteding blijft een onderwerp waarbij zorgvuldig moet worden geschaakt.
Hof ’s-Hertogenbosch 11 februari 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHSHE:2014:281
Door mr. J.J. Jacobse
"