Nieuwsbrief voor overheden

Sinds juli 2016 had de Afdeling zich niet meer gebogen over een huisverbod. Op 16 november 2016 deed de Afdeling twee uitspraken met betrekking tot huisverboden. De Afdeling deed uitspraak in een hoger beroep van een uithuisgeplaatste en een hoger beroep van een burgemeester. In dit artikel bespreek ik de uitspraken kort.

De burgemeester van Den Haag heeft op 13 september 2015 een huisverbod opgelegd. Dat besluit is gebaseerd op een ingevuld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiHG), een proces-verbaal, diverse politiemutaties en een aangifte van de echtgenote van de uithuisgeplaatste. Aanleiding was een sms-bericht van de man aan zijn vrouw waarin hij haar uitschold en bedreigde met fysiek geweld. Dit naar aanleiding van een ruzie enkele dagen eerder. Op die dag vond de vrouw een alarmpistool, een katapult en een zakje cocaïne in de brievenbus. Eerder werd de man ook eens een huisverbod opgelegd nadat hij een deur in de woning had vernield. In het RiHG is opgenomen dat het veertien maanden oude zoontje van de echtelieden getuige is geweest van de verbale agressie van de man en dat de vrouw erg bang voor hem is. De burgemeester heeft zich volgens de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat deze feiten en omstandigheden voor de echtgenote en het kind een ernstig en onmiddellijk gevaar of het vermoeden daarvan opleveren. De stelling van de man dat het gaat om feiten en omstandigheden uit het verleden doet de Afdeling af door te wijzen op de aangifte van 10 september 2015 en de aanvullende verklaring van 13 september 2015. De combinatie van geweld in het verleden en de recente dreiging daarvan waren in dit geval voldoende voor het opleggen van een huisverbod.

De tweede zaak speelt in de gemeente Maasdriel. De rechtbank Gelderland had een door de burgemeester van Maasdriel genomen besluit tot de verlenging van een huisverbod vernietigd. Tegen die uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld. De burgemeester heeft betoogd dat uit een advies van het zogenoemde Meldpunt Bijzondere Zorg (MBZ) bleek dat het ernstig vermoeden van gevaar voor de veiligheid van de achterblijvers zich voortzette en dat er nog geen reële aanvang met de hulpverlening was gemaakt. De Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak van 23 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1638) en overweegt dat bij de beoordeling of de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan daadwerkelijk niet langer bestaat, van belang is of de uithuisgeplaatste inmiddels een reële aanvang met de hulpverlening heeft gemaakt en of de verwachting gerechtvaardigd is dat hij aan de hulpverlening blijft meewerken. Uit het door de burgemeester genoemde advies bleek inderdaad dat de hulpverlening nog niet is opgestart en dat de dreiging niet is afgenomen. De burgemeester heeft zich daarom volgens de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan nog bestond.

Deze twee uitspraken werpen geen nieuw licht op de bestaande lijn in de jurisprudentie over het huisverbod. De tweede uitspraak laat wel zien dat het huisverbod onder lagere rechters nog niet altijd bekende materie is. Voor een overzicht van praktische en juridische knelpunten bij de (uitvoering van de) Wet tijdelijk huisverbod verwijs ik nog eens naar mijn in 2014 verschenen overzichtsartikel in de Gemeentestem.

ABRvS 16 november 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2016:3017

ABRvS 16 november 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2016:3024

Door Ad Schreijenberg

 

"

Actualiteiten overzicht