Nieuwsbrief voor overheden

Voor een faillietverklaring geldt de eis dat de schuldenaar meer dan één schuldeiser heeft, het pluraliteitsvereiste. Dit vereiste staat eraan in de weg dat een schuldenaar in staat van faillissement wordt verklaard op vordering van twee verschillende onderdelen van een publiekrechtelijke rechtspersoon, zelfs indien er één voor de toepassing van procesrechtelijke regels moet worden onderscheiden van die publiekrechtelijke rechtspersoon.

Het gerechtshof ’s-Gravenhage diende recent te oordelen over een door de Staat ingediend hoger beroep tegen een afwijzing door de rechtbank ’s-Gravenhage van een verzoek tot faillietverklaring van een natuurlijk persoon, dat was ingediend door de Staat (ECLI:NL:RBDHA:2017:7140). Aan dit verzoek lagen twee vorderingen ten grondslag: een vordering van de Staat (het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en als steunvordering een vordering van de Belastingdienst.

De rechtbank heeft het verzoek tot faillietverklaring afgewezen op grond van de omstandigheid dat de Belastingdienst onderdeel van de Staat is en geen zelfstandige rechtspersoonlijkheid heeft. Dat maakt dat ten aanzien van beide gestelde vorderingen de Staat als schuldeiser moet worden aangemerkt. Er is dus niet voldaan aan het pluraliteitsvereiste, zodat het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen.

Tegen deze beschikking stelt de Staat hoger beroep in bij het gerechtshof ’s-Gravenhage. Hij voert daartoe aan dat de ene schuld een door de Staat aan de schuldenaar opgelegde bestuurlijke boete betreft en de andere schuld een belastingschuld aan de Belastingdienst (de Ontvanger). De Ontvanger is – mede gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 2 Invorderingswet 1990 – een van de Staat te onderscheiden crediteur.

Volgens de Staat is de Ontvanger belast met de invordering van rijksbelastingen en niet de Staat. De Hoge Raad heeft in het verleden overwogen dat de ontvanger bij het uitoefenen van zijn taak niet alleen over de bijzondere aan de Invorderingswet ontleende bevoegdheden beschikt, maar ook gebruik kan maken van de wettelijke bevoegdheden die een schuldeiser aan het burgerlijk recht kan ontlenen, waaronder de zelfstandige bevoegdheid om het faillissement van een (rechts)persoon aan te vragen. De schuldenaar heeft zowel een schuld aan de Staat als aan de Ontvanger, zodat zij in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Het oordeel van de rechtbank is dus onjuist, aldus de Staat.

Het gerechtshof volgt de Staat echter niet in diens redenering. De bevoegdheid van de Ontvanger om zelfstandig in rechte op te treden bij de inning van rijksbelastingen en de omstandigheid dat de Ontvanger voor de toepassing van procesrechtelijke regels moet worden onderscheiden van de Staat, betekent nog niet dat de Ontvanger voor de toepassing van het pluraliteitsvereiste dient te worden beschouwd als een van de Staat te onderscheiden crediteur. Dat laatste betreft namelijk niet de processuele maar de materieelrechtelijke positie van de Ontvanger. Een schuld aan de Ontvanger is in wezen een schuld aan de Staat (Ministerie van Financiën). De ontvanger heeft immers geen rechtspersoonlijkheid maar is een functionaris (natuurlijke persoon) van de Staat die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen. Indien er dus sprake is van een schuld aan de Staat (Ministerie van Sociale Zaken en werkgelegenheid) en een schuld aan de Staat (Belastingdienst) is er dus sprake van twee schulden aan één en dezelfde publiekrechtelijke rechtspersoon (de Staat). Dan is er dus geen sprake van pluraliteit van schuldeisers, waardoor dus niet wordt voldaan aan de vereisten voor faillietverklaring.         

Gerechtshof ’s-Gravenhage, 19 december 2017: ECLI:NL:GHDHA:2017:3731

Door: Floris Lewis

"

Actualiteiten overzicht