Nieuwsbrief voor overheden
Eén van de eisers was de huurder van het pand en de andere eiser was de exploitant van het fastfoodrestaurant.
In het voorjaar van 2017 – nog voordat het nieuwe bestemmingsplan in werking trad – vroeg de eiser die het pand huurde een omgevingsvergunning aan tot het wijzigen van de bestemming van het pand zodat hier een horecagelegenheid in geëxploiteerd kon worden. Daarnaast vroeg de ondernemer een exploitatievergunning voor het exploiteren van de horecagelegenheid.
Op het besluit op de aanvraag van 6 juni 2017 oordeelde de gemeente dat geen omgevingsvergunning vereist was omdat het gebruik paste binnen het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast verleende de gemeente op 30 juni 2017, de dag dat het nieuwe bestemmingsplan in werking trad, de exploitatievergunning voor de horecagelegenheid.
De verbouwing begon echter pas in maart 2018 en de horecagelegenheid zou haar deuren in augustus 2018 openen. In die periode heeft de gemeente op 17 juli 2018 een omgevingsvergunning verleend voor een rookgasafvoer ten behoeve van horeca en op 21 juni 2018 heeft de gemeente een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigingen van de voorgevel en het aanbrengen van gevelreclame.
Toen omwonenden bezwaar maakten tegen een later verleende omgevingsvergunning voor installaties op het dak van de uitbouw, weigerde de gemeente bij beslissing op bezwaar die omgevingsvergunning alsnog. Volgens de gemeente was horeca onder het nieuwe bestemmingsplan niet toegestaan en het overgangsrecht was niet van toepassing. Voor een succesvol beroep op het overgangsrecht, moest aannemelijk zijn dat het pand op de datum van inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan gebruikt werd als horecagelegenheid. Dat was in onderhavige situatie niet het geval.
Was het handelen van de gemeente onrechtmatig?
In de civiele procedure stelden eisers dat de gemeente aansprakelijk is voor de schade die ze door haar handelswijze hebben geleden. Volgens eisers had de gemeente het gerechtvaardigd vertrouwen van hen gewekt vanwege haar uitlatingen dat de exploitatievergunning zijn werking niet verloor bij de overgang naar het nieuwe bestemmingplan en door het verlenen van een vergunning ten behoeve van rookgasafvoer en voor het wijzigen van de voorgevel en het aanbrengen van gevelreclame voor de horecagelegenheid. Op het moment dat de gemeente de aanvragen zorgvuldig had beoordeeld, hadden eisers nooit geïnvesteerd in de totstandkoming van een horecagelegenheid in het pand.
Volgens de rechtbank heeft de gemeente niet het gerechtvaardigd vertrouwen van eisers gewekt. Of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de inhoud van het bestemmingsplan en de aard en inhoud van besluiten, informatie en gedragingen van de gemeente, alsmede hetgeen de eisers daaromtrent redelijkerwijs hebben mogen begrijpen. Vereist is dat degene die een beroep doet op gewekte verwachtingen, gerechtvaardigd op verstrekte informatie mocht afgaan, hetgeen ook inhoudt dat eisers niet beter hadden moeten weten.
De rechtbank benadrukt dat eisers werden bijgestaan door een bestuursrechtadvocaat en aldus geacht werden de inhoud van het nieuwe bestemmingsplan te kennen. Tevens zijn eisers bij het besluit van 6 juni 2017 door de gemeente geïnformeerd over de wijziging van het bestemmingsplan en dat een aanvraag onder het nieuwe bestemmingsplan tot een weigering zou hebben geleid.
Ook het beroep op het overgangsrecht baat eisers niet. Zij hadden bekend moeten zijn met de feitelijke situatie op het moment van inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan. Het pand werd toen hoofdzakelijk als bakkerij en detailhandel gebruikt, niet als horecagelegenheid. Dat het beoogde gebruik als horecagelegenheid (fastfoodrestaurant) tot een toename van het strijdige gebruik zou leiden, hadden zij dus moeten bedenken.
Les voor de praktijk
Deze uitspraak benadrukt dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet enkel wordt getoetst aan de uitlatingen van een bestuursorgaan, maar ook een zekere onderzoeksplicht voor degene die zich hierop beroept met zich meebrengt. Van (professionele) partijen wordt verwacht dat zij de juridische houdbaarheid van hun plannen kritisch blijven toetsen aan toekomstige regelgeving.
Rb Amsterdam 14 januari 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBAMS:2026:2579.