Nieuwsbrief voor overheden

De Fietsersbond en de stichting Wandelnet dienden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede een verzoek tot preventieve handhaving in om ProRail ervan te weerhouden een spoorwegovergang te sluiten. Het college heeft dit verzoek afgewezen, omdat de spoorwegovergang geen openbare weg in de zin van artikel 4 van de Wegenwet (Wegw) zou zijn. Later deden de belangenbehartigers een verzoek tot handhaving op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Ook dat verzoek werd om dezelfde reden afgewezen. De Fietsersbond en Wandelnet hebben daartegen bezwaar gemaakt en het college gevraagd in te stemmen met rechtstreeks beroep. Het college stemde in, werd later door de rechtbank opgedragen een nieuw besluit te nemen en deed dat op 28 april 2015. Het heeft ProRail onder oplegging van een dwangsom gelast de overtreding van de APV op te heffen. ProRail is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank.

Allereerst ging de Afdeling bij de behandeling van het hoger beroep in op de belanghebbendheid van de Fietsersbond en Wandelnet. Daarover overwoog de Afdeling dat een besluit over de openbaarheid van de onbewaakte spoorwegovergang invloed heeft op het verloop van fiets- en wandelroutes waarvan die overgang deel uitmaakt en dat het daarmee de belangen raakt van fietsers en wandelaars. Aangezien de belangenbehartigers de belangen van fietsers en wandelaars behartigen zijn zij belanghebbend.

Vervolgens stond de Afdeling voor de vraag of de spoorwegovergang een openbare weg in de zin van artikel 4  Wegw is. Ter zitting werd vastgesteld dat de spoorwegovergang niet op de wegenlegger voorkomt, zodat die niet op grond van artikel 49 Wegw openbaar is. De Afdeling overwoog dat degene die zich op de openbaarheid van een weg beroept, die openbaarheid aannemelijk moet maken. In dit geval rustte de bewijslast dus op de Fietsersbond en Wandelnet. Zij hebben daartoe 58 getuigenverklaringen overgelegd die, voor zover de Afdeling heeft kunnen vaststellen, geen tegenstrijdigheden bevatten. De belangenbehartigers zijn er zo in geslaagd aannemelijk te maken dat de spoorwegovergang sinds de jaren ’60 feitelijk en onafgebroken door fietsers en wandelaars is gebruikt.

Op grond van artikel 4 Wegw en de geldende jurisprudentie daaromtrent moet sprake zijn van de feitelijke mogelijkheid om de weg te betreden gedurende dertig achtereenvolgende jaren. Dat betreden moet niet wederrechtelijk zijn geweest en niet tegen de kenbaar gemaakte wil van de rechthebbende hebben plaatsgevonden. Een bordje verboden toegang zou de wil van de rechthebbende kenbaar kunnen maken. In dit geval was slechts een bord geplaatst met een gebod de hekken bij de spoorwegovergang na gebruik te sluiten. De Afdeling overwoog dat uit dit bord niet kon worden afgeleid dat de spoorwegovergang niet toegankelijk was of door wie deze al dan niet mocht worden betreden.

De Afdeling overwoog dat de belangenbehartigers aannemelijk hebben gemaakt dat de spoorwegovergang openbaar is geworden in de zin van artikel 4 Wegw en dat het college dus op grond daarvan handhavend mocht optreden. De openbaarheid geldt echter uitsluitend voor fiets- en voetgangersverkeer. De overgelegde getuigenverklaringen zeggen immers niets over het gebruik door gemotoriseerd verkeer.

ABRvS 9 december 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2015:3727

Door mr. drs. A. Schreijenberg

"

Actualiteiten overzicht