Nieuwsbrief voor overheden

Uit een op 31 maart 2017 door de Hoge Raad gewezen arrest volgt dat gebruikers van gebouwen en terreinen tegenover de curator van een failliete onderneming in beginsel aanspraak kunnen maken op verwijdering van afval- of restmaterialen van het failliete bedrijf. Deze rechtspraak vormt het vervolg op de eerder, in 2013, door de Hoge Raad gegeven bevestiging dat een gewezen verhuurder uit hoofde van zijn recht op het gehuurde mag verlangen dat de curator tot de boedel behorende zaken uit het gehuurde verwijdert.

De casus die aanleiding gaf tot het arrest van de Hoge Raad zal bekend voorkomen voor partijen die reststoffen innemen. Eiseres in deze zaak exploiteert een terrein dat dienst doet als opslaglocatie voor afvalstoffen. Het terrein is eigendom van de provincie Limburg. Eiseres is contractueel bevoegd tot gebruik van het terrein om niet. Op de dag waarop één van de relaties van eiseres, Aluminium Delfzijl B.V. (Aldel), in staat van faillissement wordt verklaard, ligt op het terrein van eiseres nog een hoeveelheid van Aldel afkomstige reststoffen opgeslagen. In verband met de opslag waren met Aldel verschillende overeenkomsten afgesloten. Naast betalingsverplichtingen voor Aldel ter zake van de opslag hielden deze overeenkomsten in dat Aldel eigenares bleef van de reststoffen.

De curatoren hebben kenbaar gemaakt de overeenkomsten niet langer gestand te doen. Hierop heeft eiseres de overeenkomsten gedeeltelijk ontbonden. De curatoren hebben geen gehoor gegeven aan de sommatie om de reststoffen, die een negatieve waarde vertegenwoordigen, van het terrein te verwijderen. Hierop zijn de curatoren op vordering van eiseres in kort geding veroordeeld de reststoffen van het terrein van eiseres te laten verwijderen, op straffe van een dwangsom. In de kort gedingprocedure heeft eiseres haar vordering gebaseerd op de stelling dat Aldel inbreuk maakte op haar eigendomsrecht alsook op de stelling dat de curatoren in hun hoedanigheid onrechtmatig handelden door de reststoffen niet van het terrein te verwijderen. De curatoren hebben met name als verweer gevoerd dat de vordering van eiseres een concurrente vordering betrof, die ter verificatie in het faillissement kon worden ingediend. Van een boedelvordering was volgens de curatoren geen sprake. In het door de curatoren tegen het vonnis van de voorzieningenrechter ingestelde hoger beroep zijn de curatoren door het hof in het gelijk gesteld. In de door eiseres bij de Hoge Raad ingestelde cassatieprocedure dient de Hoge Raad te oordelen op de door eiseres tegen het oordeel van het hof gerichte grieven, die in de kern neerkomen op de eerder in eerste aanleg ingenomen standpunten zoals hiervoor weergegeven.

In zijn beoordeling van de zaak grijpt de Hoge Raad terug op zijn eerdere – hiervoor aangehaalde – baanbrekende rechtspraak over onder andere de positie van de gewezen verhuurder. In dit arrest – dat bekend is geworden onder de naam Koot Beheer/Tideman – heeft de Hoge Raad nieuwe regels gegeven voor de afbakening van het begrip boedelschulden. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat verbintenissen die door de curator niet worden gestand gedaan en niet worden nagekomen in het faillissement een concurrente vordering opleveren die, indien het geen geldvordering betreft, overeenkomstig artikel 133 van de Faillissementswet (Fw) voor de geschatte waarde kan worden ingediend. Indien de curator de overeenkomst niet gestand doet, kan de wederpartij deze ook ontbinden, na de weg van artikel 37 lid 1 Fw (termijnstelling voor gestanddoening) te hebben gevolgd, en heeft zij daarnaast wegens het tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst een concurrente vordering op grond van artikel 37a Fw (alleen voor huurovereenkomsten en arbeidsovereenkomsten gelden afwijkende regels). Vervolgens heeft de Hoge Raad aangegeven – en dit was dus een breuk met zijn eerdere jurisprudentie – dat op grond van de wet boedelschulden slechts die schulden zijn die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel hetzij ingevolge de wet, hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, hetzij omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting.

In aanvulling op zijn eerdere oordeel dat de curator tegenover de gewezen verhuurder gehouden is de tot de boedel behorende zaken uit het gehuurde te verwijderen, overweegt de Hoge Raad in zijn arrest van 31 maart 2017 als volgt:

“Indien de wederpartij van de failliet, zoals in het onderhavige geval, geen eigenaar is van het gebouw waarin of van het terrein waarop zich na ontbinding van de overeenkomst nog tot de boedel behorende zaken bevinden, maar zij daarvan wel een exclusief gebruiksrecht heeft, ontleent zij aan dat gebruiksrecht in beginsel evenzeer het recht om van de curator verwijdering van die zaken te verlangen. Een exclusief gebruiksrecht omvat immers doorgaans mede de bevoegdheid zich te verzetten tegen een storing in het genot van de zaak waarop het gebruiksrecht betrekking heeft. De curator is dan ook gehouden de desbetreffende zaken te verwijderen, tenzij hij stelt en bij tegenspraak bewijst dat de wederpartij daarop uit hoofde van haar rechtsverhouding met de eigenaar van het gebouw of terrein geen aanspraak kan maken.”

De Hoge Raad oordeelt dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven en verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar een ander gerechtshof. Dit hof zal de feiten op basis van de hiervoor weergegeven door de Hoge Raad gegeven regels dienen te beoordelen. Mogelijk zullen de curatoren – indien daarvoor in het dossier aanknopingspunten te vinden zijn – in de verwijzingsprocedure stellen dat eiseres uit hoofde van haar rechtsverhouding met de provincie Limburg geen aanspraak kan maken op exclusief gebruik van het terrein of zich op andere omstandigheden beroepen die zouden maken dat aan eiseres geen vordering tot verwijdering toekomt.

Partijen die zich geconfronteerd zien met een failliete wederpartij die zaken in haar gebouwen of op haar terreinen heeft achtergelaten kunnen in beginsel van de curator verwijdering van deze zaken eisen. Indien zij geen eigenaar van de betreffende gebouwen of terreinen zijn doen zij er goed aan allereerst in kaart te brengen of zij uit hoofde van hun rechtsverhouding met de eigenaar aanspraak kunnen maken op het exclusief gebruik van het gebouw of terrein. Daarnaast zijn – afhankelijk van de situatie – ook andere omstandigheden denkbaar die van belang kunnen zijn voor de vraag welke rechten tegenover de curator kunnen worden uitgeoefend. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een eventueel door de eigenaar van het terrein aan de curator gegeven toestemming om de zaken op het terrein aanwezig te laten. Indien tegenover de curator aanspraak op verwijdering kan worden gemaakt dient vervolgens te worden beoordeeld op welke wijze deze rechten het meest effectief en efficiënt geldend kunnen worden gemaakt, ook indien sprake is van een zogenaamde “lege boedel”. Zoals uit het voorgaande volgt is – met name in complexere gevallen – goed onderzoek, specifieke kennis en maatwerk geboden om het gewenste resultaat te bereiken.

HR 31 maart 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2017:563

Door Hans Huybens

"

Actualiteiten overzicht