Nieuwsbrief voor overheden
Wanneer is een incidenteel hoger beroepschrift een incidenteel hoger beroepschrift in de zin van artikel 8:110 Awb? Voor die vraag zag de Afdeling zich gesteld in de zaak die leidde tot haar uitspraak van 26 februari 2014.
Inleiding
Het is mogelijk dat een partij die uiteindelijk in het gelijk wordt gesteld, zich toch niet kan vinden in bepaalde onderdelen van de uitspraak. Op zich heeft die partij dus geen redenen om hoger beroep in te stellen. Hij heeft immers gelijk gekregen. Het probleem was echter dat als de andere partij wel hoger beroep instelde de rechter in hoger beroep alleen kon oordelen over de gronden van dat hoger beroep en gebonden was aan de niet bestreden onderdelen van de uitspraak. Om dat te voorkomen moest de verwerende partij zelfstandig hoger beroep instellen binnen de termijn. Als de andere partij geen hoger beroep instelde kon het hoger beroep dan weer worden ingetrokken. Dat was dus nogal omslachtig.
Daarom heeft de wetgever, naar analogie van het civiele procesrecht, de mogelijkheid van incidenteel hoger beroep in het leven geroepen door artikel 8:110 Awb in te voegen. Deze bepaling geldt sinds 1 juli 2013.
Dit houdt in dat de verwerende partij pas naar aanleiding van het hoger beroep dat door de andere partij wordt ingesteld, zelf ook hoger beroep kan instellen. Dat moet dan binnen zes weken na toezending van de gronden van het zogeheten principaal hoger beroep.
De zaak
De burgemeester van de gemeente Oldambt had een exploitatievergunning verleend aan Funplaza voor het exploiteren van een speelautomatenhal in het centrum van Winschoten. Tegen dat besluit had Korjako, een concurrent van Funplaza, bezwaar gemaakt. Korjako had het bezwaarschrift te laat ingediend, maar de rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. De rechtbank vond namelijk dat de burgemeester Korjako had moeten horen op grond van artikel 4:8 Awb en dus het besluit op de voet van artikel 3:43 Awb aan Korjako had moeten meedelen. De burgemeester had het besluit weliswaar laten publiceren in een regionale krant, maar dat was naar het oordeel van de rechtbank niet genoeg.
Funplaza stelde tegen deze uitspraak hoger beroep in. Naar haar mening had de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was.
In de procedure hoger beroep stelde de burgemeester incidenteel hoger beroep in, althans dat schreef hij in een schriftelijk stuk dat hij in die procedure indiende. De burgemeester vond dat hij wel degelijk genoeg moeite had gedaan om het besluit bekend te maken aan Korjako, dat de rechtbank Korjako ten onrechte als belanghebbende had aangemerkt en dat de rechtbank hem ten onrechte had veroordeeld in de proceskosten.
De Afdeling ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het stuk van de burgemeester een principaal hoger beroepschrift of een incidenteel hoger beroep is.
De Afdeling overweegt allereerst dat niet bepalend is dat in het stuk expliciet is vermeld dat incidenteel hoger beroep wordt ingesteld. De Afdeling overweegt vervolgens dat de essentie van het incidenteel hoger beroep is dat de verwerende partij als gevolg van het incidenteel hoger beroep in een gunstiger positie komt te verkeren ten opzichte van de positie waarin hij verkeerde na de uitspraak van de rechtbank.
De Afdeling oordeelt dat daar hiervan geen sprake is. Met uitzondering van de grond dat de rechtbank de burgemeester ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten, kwamen alle door de burgemeester aangevoerde gronden overeen met de gronden die Funplaza tegen de uitspraak aanvoerde. Het stuk van de burgemeester diende in feite als ondersteuning van het hoger beroep van Funplaza.
De Afdeling overweegt dat de burgemeester bij gegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep weliswaar in een gunstiger positie komt te verkeren ten opzichte van de positie waarin hij na de uitspraak van de rechtbank verkeerde, maar dat dat ook het geval zou zijn geweest als het hoger beroep van Funplaza gegrond verklaard zou worden. Dat geldt ook ten aanzien van de grond tegen de proceskostenveroordeling. Ook zonder incidenteel hoger beroep zou de proceskostenveroordeling verdwijnen als het hoger beroep van Funplaza gegrond zou worden verklaard.
De Afdeling oordeelt dat het stuk van de burgemeester daarom niet als een incidenteel hoger beroepschrift kan worden aangemerkt, maar als een principaal hoger beroepschrift moet worden aangemerkt.
ABRvS 26 februari 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2014:681
Door mr. C.J. IJdema
"