Nieuwsbrief voor overheden

Enkel tijdsverloop onvoldoende voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking

Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat enkel tijdsverloop onvoldoende is voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking. Volgens de Hoge Raad is vereist voor rechtsverwerking dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn als gevolg waarvan ofwel de ene partij bij de andere partij het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, ofwel de positie van de andere partij onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard indien de aanspraak alsnog gelden gemaakt zou worden (HR 24 april 1998, NJ 1998, 621).

In de zaak die leidde tot de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2014, ging het om een procedure die op verzoek van partijen maar liefst 11 jaar (!) geleden op de parkeerrol was geplaatst en doorgehaald. Dat de zaak was doorgehaald, betekende overigens niet dat daarmee de zaak klaar was. Een doorgehaalde zaak kan namelijk altijd op verzoek van één van de partijen weer “opgebracht” worden om verder te procederen, hetgeen ook in deze procedure gebeurde.

Na al die jaren had de gedaagde partij uiteraard niet meer verwacht dat verder geprocedeerd zou worden en hij deed een (incidenteel) beroep op rechtsverwerking vanwege het tijdsverloop van 11 jaar sinds de doorhaling van de procedure. De rechtbank Amsterdam oordeelde conform de lijn in de jurisprudentie van de Hoge Raad dat het enkel stilzitten van de eisende partij - ook al ging het om een periode van 11 jaar – niet voldoende was voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking. Daarnaast overwoog de rechtbank dat (nog) niet vaststond dat de gedaagde partij door het tijdsverloop werkelijk op ontoelaatbare wijze werd belemmerd om voort te procederen. Nog niet bekend was of er nog getuigen gehoord zouden gaan worden en zo ja of die personen zouden kunnen worden getraceerd en in hoeverre zij nog weet van de zaak hadden.

Dit was voor de rechtbank Amsterdam echter geen reden om het beroep op rechtsverwerking definitief af te wijzen. De rechtbank kwam de gedaagde partij tegemoet door te bepalen dat op het openstaande beroep op rechtsverwerking zou worden beslist op het daarvoor geëigende moment in de procedure. Tijdens de procedure zou immers nog moeten blijken of de gedaagde partij inderdaad ontoelaatbaar geschaad was in zijn belangen. Kortom: het jarenlang stilzitten zou alsnog fataal kunnen zijn voor de eisende partij!

Rb. Amsterdam 22 oktober 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBAMS:2014:6763

 

Ten aanzien van de klachtplicht van artikel 6:89 BW hanteert de HR een vergelijkbaar criterium als bij rechtsverwerking

Op grond van artikel 6:89 BW kan een partij geen beroep meer doen op een gebrek in een prestatie, als hij daar niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, daarover bij de ander partij heeft geprotesteerd.

Net als bij het leerstuk van de rechtsverwerking is het vaste jurisprudentie (zie HR 8 februari 2013, JOR 2013, 106) dat voor een succesvol beroep op niet tijdig klagen enkel tijdsverloop onvoldoende is. De vraag of een partij heeft voldaan aan zijn onderzoeks- en klachtplicht van artikel 6:89 BW afhankelijk is van “alle omstandigheden van het geval”.

Ook in een zaak die voorlag bij de rechtbank Amsterdam was de vraag of tijdig was geklaagd. De gemeente Wormerland was een overeenkomst van opdracht aangegaan met een extern adviesbureau voor (o.a.) het opstellen van de voorschriften van een nieuw bestemmingsplan en het maken van een (digitale) plankaart. In december 2007 ontdekte de gemeente dat het adviesbureau een fout had gemaakt. Pas in december 2010 – dus maar liefst drie jaar later! – protesteerde de gemeente bij het adviesbureau tegen de gemaakte fout. In de procedure die volgde, stelde het adviesbureau zich op het standpunt dat de gemeente de klachtplicht uit artikel 6:89 BW had geschonden door pas drie jaar na dato te klagen.

De rechtbank oordeelde dat de verstreken tijd relatief lang was, maar niet doorslaggevend. Volgens de rechtbank had het adviesbureau onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het door het late protest van de gemeente was benadeeld, bijvoorbeeld doordat het was benadeeld in zijn bewijspositie of aangetast was in zijn mogelijkheden om op de claim te anticiperen. Stelplicht en bewijslast lagen volgens de rechtbank Amsterdam dus bij degene die een beroep deed op schending van de klachtplicht.

Kortom, voor de vraag of er al dan niet tijdig is geklaagd, is tijdsverloop dus belangrijk, maar niet alles bepalend. Het gaat steeds, net als bij rechtsverwerking, om de vraag of de belangen van de wederpartij door het stilzitten daadwerkelijk zijn geschaad.

Rb. Noord-Nederland 21 augustus 2013, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBNNE:2013:5150

 

Door mr. S. d’Hooghe en mr. R.M. Pieterse

"

Actualiteiten overzicht