Nieuwsbrief voor overheden

Noodzaak van huisvesting
Appellant sub 1 was tussen 1982 en 2017 beheerder en directeur van dierenasiel Crailo en woont sinds de bouw in 2003 in de bijbehorende bedrijfswoning. Volgens de planregels mag een bedrijfswoning alleen worden bewoond door iemand wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming, noodzakelijk is. Na het einde van zijn dienstverband beriepen appellanten zich op een bruikleenovereenkomst tussen appellant sub 1 en Crailo over enkele opstallen, om te betogen dat er nog steeds een juridische binding bestond die de bewoning noodzakelijk maakte. De Afdeling gaat hier niet in mee: een overeenkomst kan een aanwijzing zijn voor noodzaak, maar een bruikleenovereenkomst over opstallen levert die noodzaak voor bewoning van de woning zelf niet op. Nu ook overigens geen aanknopingspunten zijn aangevoerd, ontbreekt de vereiste band met de bedrijfsvoering.

Geen bescherming via overgangsrecht
Appellanten deden ook een beroep op het overgangsrecht van het bestemmingsplan: er zou al sinds 1982 sprake zijn van bestendige bewoning, ook onder eerdere plannen. De Afdeling herhaalt dat degene die zich op overgangsrecht beroept, aannemelijk moet maken dat dit van toepassing is (ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1745). Dat er al lange tijd een bedrijfswoning aanwezig is die door de familie is bewoond, is daarvoor onvoldoende: relevant is niet alleen de fysieke aanwezigheid van bewoning, maar ook of die bewoning een verbinding heeft met de bedrijfsactiviteiten waarvoor de woning is bestemd. Ook de omstandigheid dat de functieaanduiding "bedrijfswoning" abusievelijk ontbrak in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2013" helpt appellanten niet verder, omdat hun beroep op het overgangsrecht niet op die omissie afstuit.

Geen bijzonder geval
Appellanten voerden vervolgens een reeks argumenten aan waarom handhaving in hun geval onevenredig zou zijn: inperking van het recht op gezins- en privéleven van artikel 8 EVRM, een te verwachten waardedaling van de woning bij verkoop, gewekt vertrouwen op basis van interne stukken en een huisnummerbesluit waarin de woning als "woning" wordt aangeduid, en de mogelijkheid om op het perceel een onderneming in de creatieve sector te vestigen. De Afdeling weegt dit mee, maar komt telkens tot dezelfde conclusie. Het doel van de last is niet dat Crailo de woning terugkrijgt, maar dat het gebruik in overeenstemming wordt gebracht met het bestemmingsplan; artikel 8 EVRM staat daaraan niet in de weg, nu de beperking al in het bestemmingsplan besloten lag (vergelijk ABRvS 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1746). Een eventuele waardedaling is inherent aan een gebruiksbeperking die altijd al gold. En voor gerechtvaardigd vertrouwen is meer nodig dan interne stukken of een huisnummerbesluit: concrete toezeggingen van het college ontbreken. Dat op het perceel ook een creatieve onderneming is toegestaan, is ten slotte niet relevant zolang die onderneming niet daadwerkelijk daar is gevestigd.

Begunstigingstermijn en hoogte van de dwangsom
Ook de gronden over de begunstigingstermijn en de hoogte van de dwangsom slagen niet. Het college week met een termijn van zes maanden al in het voordeel van appellanten af van de in het handhavingsbeleid gebruikelijke tien weken, en de termijn is nadien tweemaal verlengd. Nu appellanten al in december 2021 op de hoogte waren van de overtreding, hadden zij ruimschoots de tijd om vervangende woonruimte te zoeken; het voeren van juridische procedures ontslaat hen niet van die verantwoordelijkheid. Over de hoogte van de dwangsom herhaalt de Afdeling vaste rechtspraak dat de financiële draagkracht van de overtreder in beginsel geen rol speelt (vergelijk ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678). Dat het college bovendien koos voor maandelijkse in plaats van wekelijkse controles, werkte al in het voordeel van appellanten.

ABRvS 22 juli 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2026:4300.   

Actualiteiten overzicht

Maak kennis met onze specialisten

Bekijk ons team