Nieuwsbrief voor overheden

Recent verschenen in de media (zie onder meer nu.nl) diverse berichten over motorclubs. Een van deze berichten ging over een strafrechtelijk en disciplinair onderzoek tegen een ambtenaar van defensie, vanwege de verdenking van het lekken van informatie naar een lid van een motorclub. Meer in het algemeen geldt dat het voor ambtenaren disciplinaire gevolgen kan hebben als zij contacten onderhouden met leden van motorclubs of zelf lid zijn. Recent deed de Centrale Raad uitspraak in twee zaken waarin de ambtenaar werd ontslagen vanwege contacten met of lidmaatschap van een motorclub. In beide uitspraken hield het verleende ontslag geen stand.

De eerste uitspraak is van 29 september 2016. Het betrof een ambtenaar die als sociotherapeut bij een forensisch psychiatrisch centrum werkte. Onderdeel van zijn taak was het helpen van cliënten met het nemen van afstand tot het criminele milieu waarin zij verbleven. De ambtenaar had daardoor een voorbeeldfunctie. Hij was sinds 2002 echter zelf lid van motorclub Satudarah en in 2013/2014 ook bestuurslid.

De leidinggevende van de betreffende ambtenaar heeft op enig moment een functioneringstraject aangekondigd. In dat kader is het lidmaatschap van Satudarah besproken. De ambtenaar heeft in die gesprekken meerdere malen aangegeven geen problemen te zien tussen zijn werkzaamheden als sociotherapeut en zijn lidmaatschap van Satudarah.

Naar aanleiding hiervan is een disciplinair onderzoek gestart. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat de leidinggevende de opstelling van de ambtenaar in het functioneringsgesprek diverse malen als intimiderend had ervaren. De interpretatie van de leidinggevende was dat de ambtenaar met deze houding ‘hem onwelgevallige gebeurtenissen’ probeerde tegen te houden. Verder werd duidelijk dat de ambtenaar bleef volhouden dat zijn lidmaatschap van Satudarah of het hebben van contacten met ex-gedetineerden prima verenigbaar was met zijn werkzaamheden als sociotherapeut. 

Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek werd voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar en indeling in een lagere salarisschaal opgelegd. Subsidiair werd ontslag wegens ernstig disfunctioneren verleend. Het bezwaar tegen het disciplinaire besluit is gegrond verklaard, waarna het voorwaardelijk ontslag door de minister is herroepen. Tegen het ontslag wegens disfunctioneren tekende de ambtenaar beroep en vervolgens hoger beroep bij de Centrale Raad aan.

In hoger beroep beoordeelde de Centrale Raad de Circulaire Ongewenste privécontacten waarnaar de minister ter onderbouwing verwees. Deze circulaire kent volgens de Centrale Raad twee kanten: goed ambtenaarschap én goed werkgeverschap. Op basis van de specifieke omstandigheden van het geval dient een zorgvuldige afweging te worden gemaakt en er dient tenminste een verband te zijn met de functie die de ambtenaar vervult. Bij deze afweging moeten volgens de Centrale Raad zowel de zorgen van de werkgever als de inbreuk op het recht op respect voor het privéleven en het recht op vreedzame vereniging en vergadering van de ambtenaar te worden afgewogen.

Een dergelijke afweging heeft de minister volgens de Centrale Raad onvoldoende gemaakt. Hierbij speelt mee dat de minister kort na de bespreking van het lidmaatschap van Satudarah, in het kader van het functioneringstraject van de ambtenaar, een disciplinair traject heeft gestart. Dit heeft geleid tot een verharding van de standpunten, waardoor niet langer sprake was van een open atmosfeer waarin integriteitsvraagstukken konden worden besproken. Daarnaast heeft de minister zich volgens de Centrale Raad ten onrechte op het standpunt gesteld dat het lidmaatschap van een ‘chapter’ van Satudarah in het algemeen niet verenigbaar is met een functie bij het ministerie van Veiligheid en Justitie. De onderbouwing die de minister aan het ontslagbesluit had gegeven is hierdoor onvoldoende gebaseerd op de specifieke omstandigheden van deze ambtenaar.

In de tweede uitspraak (van 6 oktober 2016) ging het om een politieagente die contact had met een (crimineel) lid van een motorbende, een zekere “X”. Na aangifte tegen X is de agente als verdachte verhoord vanwege haar relatie met X. Toen bleek dat de agente niet betrokken was bij een strafbaar feit, is de zaak tegen haar geseponeerd. In een beoordelingsgesprek dat de agente daarna had, is dit incident aan de orde geweest en is de agente gewaarschuwd dat haar contact met X negatieve gevolgen voor haar zou kunnen hebben.

Vervolgens is naar aanleiding van een melding een onderzoek verricht door Bureau Integriteit. Daaruit volgde dat de agente nog steeds regelmatig contact had met X. De korpschef heeft vervolgens primair strafontslag verleend wegens ernstig plichtsverzuim, bestaande uit het afleggen van niet kloppende verklaringen en het voortzetten van ongewenst contact met X. Subsidiair is aan de agente ongeschiktheidsontslag verleend.

Bij de beoordeling van het beroep van de agente stelt de rechtbank, op basis van onder meer een eigen verklaring van de agente en twee verklaringen van haar collega’s, tot de overtuiging te zijn gekomen dat de agente bij meerdere gelegenheden heeft gelogen over de aard en intensiteit van het contact met X. Het strafontslag is daardoor volgens de rechtbank toegestaan.

In hoger beroep verwijst de Centrale Raad naar haar vaste rechtspraak (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) waarin is bepaald dat in het ambtenarentuchtrecht niet de strikte bewijsregels van het strafrecht van toepassing zijn. Daarnaast mogen verklaringen van de collega’s van de agente volgens de Centrale Raad niet zomaar worden gebruikt en dienen deze op waarde te worden geschat tegen de achtergrond van de bestaande verhoudingen in de desbetreffende groep medewerkers. Dit heeft tot gevolg dat de verklaringen onvoldoende bewijs voor de gestelde feiten opleveren.

In tegenstelling tot de rechtbank komt de Centrale Raad daardoor tot de conclusie dat de verwijten tegen de agente onvoldoende vast zijn komen te staan. Zowel de eigen verklaring als de verklaringen van haar collega’s leiden volgens de Centrale Raad niet tot de overtuiging dat de agente nog steeds regelmatig contact had met X of dat zij valselijk heeft verklaard over haar contacten met X. Doordat deze overtuiging ontbrak kan de Centrale Raad geen plichtsverzuim vaststellen, waardoor geen grond voor strafontslag bestaat. Het ontbreken van de overtuiging dat de verweten gedragingen hebben plaatsgevonden is daarnaast aanleiding voor herroeping van het verleende ongeschiktheidsontslag.

Uit deze twee uitspraken volgt dat niet automatisch disciplinaire maatregelen kunnen worden opgelegd aan een ambtenaar die een lidmaatschap van of privécontacten met (leden van) een motorclub heeft. Ook in dergelijke situaties gelden de normale, strenge regels voor bewijs en motivering van beslissingen. In iedere situatie dient opnieuw een afweging te worden gemaakt gebaseerd op de specifieke omstandigheden van het geval. Indien dit niet wordt gedaan kan dit leiden tot herroeping van de disciplinaire maatregel.

CRvB 29 september 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:3448

CRvB 6 oktober 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:3723

Door mr. M.E. Blesgraaf

"

Actualiteiten overzicht