Nieuwsbrief voor overheden
Indien een gemeente ten onrechte de aanvraag voor een bouwvergunning fase I afwijst wegens strijd met het bestemmingsplan is zij niet per se schadeplichtig. Vastgesteld moet worden of er ook daadwerkelijk schade door het afwijzende besluit is veroorzaakt. Omdat vaak niet met zekerheid kan worden vastgesteld wat er zou zijn gebeurd indien de bouwvergunning fase I wel was verleend, biedt de leer van de kansschade een oplossing voor het causaliteitsvraagstuk.
Waar het Hof Den Haag zich in het arrest van 17 oktober 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:3170; zie elders in deze nieuwsbrief) geconfronteerd zag met het vrij ‘klassieke’ causaliteitsprobleem, zag het zich onlangs ook geconfronteerd met een andersoortig causaliteitsprobleem, die van het onzeker causaal verband. In zijn arrest van 3 oktober 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:2821) diende het te beoordelen of er causaal verband bestond tussen het ten onrechte weigeren van een bouwvergunning fase I en de schade die de betrokken projectontwikkelaar stelde te hebben geleden.
Een projectontwikkelaar heeft in 2008 bij de gemeente Den Haag een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning fase I voor een groot bouwcomplex. Bij die aanvraag werden alleen de ruimtelijke en welstandtechnische aspecten beoordeeld. De gemeente Den Haag heeft de bouwvergunning fase I in 2009 geweigerd omdat er naar haar oordeel sprake was van strijd met het bestemmingsplan. Uiteindelijk oordeelde de Afdeling in 2012 in hoger beroep dat er geen sprake was van strijd met het bestemmingsplan en werd het besluit van de gemeente herroepen. Er werd alsnog een bouwvergunning fase I verleend, maar dat was voor de projectontwikkelaar de spreekwoordelijke mosterd na de maaltijd. Want, inmiddels was duidelijk geworden dat op de betreffende locatie geen groot bouwcomplex meer kon worden gerealiseerd. Bovendien was in de koop-aanneemovereenkomst de ontbindende voorwaarde opgenomen dat de bouwvergunning uiterlijk 1 juni 2010 zou zijn verleend. Het aanvragen van een bouwvergunning fase II was dus niet meer aan de orde.
De projectontwikkelaar heeft de gemeente daarom gevraagd ermee in te stemmen dat geen bouwvergunning fase II meer zou worden ingediend en dat partijen bij de verdere onderhandelingen over de door de projectontwikkelaar ingediende schadeclaim uit zouden gaan van de situatie als ware de vergunning fase II ook verleend. Vanwege het eigen toetsingskader van de bouwaanvraag fase II (de beoordeling van de bouwtechnische aspecten) wenste de gemeente daar niet aan mee te werken. Zonder aanvraag kon de gemeente immers niet beoordelen of een bouwvergunning kon worden afgegeven.
Aan het hof ligt uiteindelijk in hoger beroep de vraag voor of er causaal verband bestaat tussen de door de projectontwikkelaar gevorderde schade en de onrechtmatige weigering van de bouwvergunning fase I. Naar het oordeel van het hof is het echter erg onzeker wat er zou zijn gebeurd als de onrechtmatige weigering van de bouwvergunning wordt weggedacht. Er waren allerlei factoren waardoor er twijfel bestond over de uiteindelijke haalbaarheid en het realiteitsgehalte van het bouwproject. In dit verband wijst het hof op het eigen toetsingskader van de bouwvergunning fase II, maar ook de economische crisis en de leegstand in kantoorpanden. Gelet op alle onzekerheden in deze kwestie heeft het hof ervoor gekozen het causaliteitsvraagstuk te benaderen vanuit de leer van de kansschade, op grond waarvan het hof slechts hoogstens een zeer kleine kans aanwezig acht dat, de onrechtmatige weigering weggedacht, de bouwvergunning fase II op 1 juni 2010 zou zijn verleend. Deze zeer kleine kans is te gering om causaal verband aan te kunnen nemen.
Dat het hof deze weg kiest lijkt logisch, maar doorgaans wordt de leer van de kansschade toch vooral toegepast in zaken van medische aansprakelijkheid of beroepsaansprakelijkheid.
Hof Den Haag 3 oktober 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHDHA:2017:2821
Door Judith Cabboort
"