Nieuwsbrief voor overheden
De Centrale Raad heeft op 28 februari 2013 in een aantal uitspraken een formule gegeven voor de berekening van een ontslagvergoeding bij een ontslag op “overige gronden”. Deze vergoeding wordt berekend aan de hand van de mate van het overwegend aandeel van de werkgever in het ontstaan en voortbestaan van de ontslaggrond, waarbij drie bandbreedten worden onderscheiden: 51 tot 65% (factor 0.5), 65 tot 80% (factor 0.75) en 80 tot 100% (factor 1). Dit aandeel wordt vermenigvuldigd met de hoogte van het maandsalaris inclusief vakantietoeslag en de helft van het aantal dienstjaren. In een uitspraak van 23 januari jl. worden deze uitgangspunten door de Centrale Raad verder verfijnd. In deze zaak oordeelde de rechtbank dat het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag had geleid in overwegende mate aan burgemeester en wethouders moest worden toegerekend. Tot een hogere aanvullende financiële tegemoetkoming dan het college aan de ambtenaar had toegekend was de rechtbank echter niet bereid. Betrokkene had immers gedurende ruim twee jaar haar bezoldiging doorbetaald gekregen zonder dat zij daarvoor enige arbeidsprestatie heeft verricht. Bovendien was betrokkene een outplacementtraject ter waarde van € 7.500,- aangeboden.
De Centrale Raad hanteert de aan de cassatierechtspraak van de Hoge Raad ontleende formulering dat de rechtbank een “onjuiste maatstaf” heeft gehanteerd. Bij de toekenning van een ontslagvergoeding in geval van een overwegend aandeel van de werkgever wordt geen rekening gehouden met het toegekende outplacementbudget en – uitzonderlijke omstandigheden daargelaten – ook niet met een doorbetaling van bezoldiging waar geen arbeidsprestatie tegenover staat. Dit geldt dus ook als deze doorbetaling ruim twee jaar heeft voortgeduurd.
CRvB 23 januari 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2014:190
"