Nieuwsbrief voor overheden

Feiten en procesverloop
Appellanten bouwden achter hun woning in Nieuwveen een tuinhuis, gedeeltelijk op gronden met de bestemming ‘Tuin - Oeverzone’ uit het bestemmingsplan ‘De Verwondering Noordereiland’. Op verzoek van een naburige bewoner trad het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop handhavend op. Het college legde een last onder dwangsom op van € 2.000 per maand, met een maximum van € 20.000, omdat het tuinhuis zonder omgevingsvergunning was gebouwd en niet voldeed aan de voorwaarden voor vergunningvrij bouwen. Zowel in bezwaar als in beroep bij de rechtbank Den Haag bleef het besluit in stand. In hoger beroep concentreerde het geschil zich op de vraag of vergunningvrij kon worden gebouwd op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor en subsidiair of het college had moeten afzien van handhaving.

Oeverzone als achtererfgebied: planregels niet bepalend
De eerste vraag betreft de erfkwalificatie. Op grond van artikel 1 van bijlage II van het Bor is van een erf sprake als een perceelgedeelte direct bij een hoofdgebouw ligt, feitelijk is ingericht ten dienste van dat gebouw én het bestemmingsplan die inrichting niet verbiedt. Het college betoogde dat de planregels voor ‘Tuin - Oeverzone’ – die gebouwen uitsluiten en slechts terrassen, vlonders en keerwanden toestaan – de inrichting als erf verbieden. De Afdeling gaat hier niet in mee.

Bepalend is of het bestemmingsplan de inrichting als erf verbiedt; dat is een hogere drempel dan het enkel uitsluiten van gebouwen. De Afdeling wijst erop dat de gronden mogen worden gebruikt als tuin behorende bij de woning, dat de bestemming gerelateerd is aan het hoofdgebouw en dat er geen verbod bestaat op normale buiteninrichting zoals terrasverharding, siertuin of vijverpartijen. Dat de plantoelichting de gronden expliciet aanmerkt als niet-erfgebied, maakt dit niet anders: de plantoelichting is geen juridisch bindend onderdeel van het bestemmingsplan. Enkel de planregels zijn maatgevend.

De Afdeling onderscheidt deze situatie van haar uitspraak van 3 juli 2024 (ABRvS 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2710), waarin een planregeling expliciet bepaalde dat bepaalde gronden niet als achtererfgebied worden aangemerkt. Zo’n regeling is hier niet aan de orde.

Hoogtemeting: Bor-methode is leidend, terreinwijzigingen na het besluit tellen niet mee
De conclusie dat de oeverzonegronden achtererfgebied zijn, baat appellanten niet. Omdat het tuinhuis niet is voorzien van een schuin dak en voor een groot deel verder dan 4 meter van het hoofdgebouw staat, geldt op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, onder b, onder 1°, van bijlage II van het Bor een maximale bouwhoogte van 3 meter. Uit controles op 17 januari 2023 en 23 oktober 2023 volgde een bouwhoogte van respectievelijk 3,26 en 3,28 meter.

Appellanten voerden aan dat had moeten worden gemeten aan de hand van het bouwpeil uit het bestemmingsplan (−4,70 m NAP), dat de gemeente zou hebben gemeten op een ongunstig punt (−4,90 m NAP) en dat de daktrim van circa 5 cm als ondergeschikt onderdeel buiten beschouwing moet blijven. De Afdeling verwerpt dit alles. Voor de beoordeling of aan de Bor-voorwaarden is voldaan, geldt de meetmethode van artikel 1, tweede lid, van bijlage II van het Bor: gemeten wordt vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, met uitzondering van plaatselijke ophogingen of verdiepingen die niet bij het verdere verloop van het terrein passen, en uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 meter (vergelijk ABRvS 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1253). Het bouwpeil uit het bestemmingsplan speelt in die beoordeling geen rol. Verder geldt: zelfs als de daktrim buiten beschouwing wordt gelaten, blijft het tuinhuis hoger dan 3 meter.

De rapportage van Van Drie Maatvoering, opgesteld nadat appellanten het terrein rond het tuinhuis hadden aangepast, kan appellanten evenmin baten. De Afdeling beoordeelt de rechtmatigheid van de last onder dwangsom naar de feiten ten tijde van de beslissing op bezwaar. Terreinwijzigingen nadien zijn irrelevant voor die beoordeling.

Ook onder het omgevingsplan geen vergunningvrij bouwen
Appellanten betoogden verder dat het tuinhuis vergunningvrij is op grond van artikel 22.36, onder a, onder 2, van de bruidsschatregels van het omgevingsplan van de gemeente Nieuwkoop. Dit betoog is relevant, omdat uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024 (ABRvS 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2645) volgt dat het college niet bevoegd is handhavend op te treden als het bouwwerk onder het nieuwe recht wél vergunningvrij zou zijn.

De Afdeling stelt echter vast dat artikel 22.36, onder a, onder 2, van het omgevingsplan in samenhang met artikel 22.27, onder a, dezelfde strekking heeft als artikel 2, onderdeel 3, onder b, van bijlage II van het Bor. Ook de meetmethode uit artikel 22.24, eerste lid, van het omgevingsplan is gelijk aan die uit bijlage II van het Bor. Nu het tuinhuis de maximale bouwhoogte van 3 meter ook onder die regeling overschrijdt, voldoet het evenmin aan de voorwaarden voor vergunningvrij bouwen en het in stand houden van bijbehorende bouwwerken op grond van het omgevingsplan. De overgangsrechtelijke route biedt appellanten dan ook geen uitkomst.

Evenredigheid en gelijkheidsbeginsel: handhaving gerechtvaardigd
Appellanten betoogden daarnaast dat handhaving onevenredig was gelet op de geringe overschrijding (0,28 m) en het ontbreken van schaduwwerking bij de buren. De Afdeling wijst dit af. Bouwen zonder omgevingsvergunning is geen geringe overtreding, ook niet als de overschrijding klein is. De verwijzing naar de uitspraak van 24 juli 2013 (ABRvS 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:455), waarin handhaving wegens een 0,5 meter afwijking van een verleende vergunning onevenredig werd geacht, gaat niet op: in die zaak was wél een vergunning verleend. In de onderhavige zaak is nooit een vergunning aangevraagd of verleend en appellanten hebben op eigen risico gebouwd.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel strandt eveneens. Het college hanteert een handhavingsbeleid waarbij bij lage-prioriteitsovertredingen alleen wordt opgetreden naar aanleiding van een handhavingsverzoek. Ten aanzien van de door appellanten genoemde vergelijkbare bouwwerken in de buurt waren geen handhavingsverzoeken ingediend; er is dan ook geen sprake van gelijke gevallen. Het geval van een naburig bijgebouw van 3,16 meter was bovendien niet vergelijkbaar, omdat daarvoor wél een omgevingsvergunning was verleend.

ABRvS 27 mei 2026, www.rechtspraak.nlECLI:NL:RVS:2026:3018

Actualiteiten overzicht

Maak kennis met onze specialisten

Bekijk ons team