Nieuwsbrief voor overheden
Een klokkenluider heeft vaak behoefte aan ondersteuning en rechtsbijstand in verband met zijn melding van een misstand. De klokkenluider kan de gewenste ondersteuning en bijstand bij het bevoegd gezag aanvragen. Maar onder welke voorwaarden komt de klokkenluider daar dan voor in aanmerking?
Aanleiding voor een uitspraak hierover van de Centrale Raad van Beroep is een schrijnende zaak die speelde bij de gemeente Maastricht. In februari 2009 heeft een ambtenaar het vertrouwen in haar leidinggevende opgezegd, en in april 2009 heeft ze een melding gedaan van het vermoeden van een misstand. In 2012 is nog een tweede melding van een misstand gevolgd. Omdat het college het onwenselijk vond dat de ambtenaar haar werkzaamheden had gestaakt en zonder verlof thuis zat, had het college haar in 2009 opgedragen voorlopig werkzaamheden te verrichten op een andere afdeling dan op de afdeling waar zij voor de melding had gewerkt. Na het vertrek van haar leidinggevende heeft betrokkene verzocht om terugkeer naar haar oude afdeling, maar dat verzoek is afgewezen. Er volgde een lange reeks van verwikkelingen die uitliepen op een ontslag per 1 januari 2013. Grondslag voor dit ontslag was het ontstaan van een impasse die in de weg stond aan vruchtbare samenwerking. Het college was van mening dat voorzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet meer van het college kon worden verlangd. De procedures die hierna zijn gevolgd, hebben als uitkomst dat de Centrale Raad de weigering betrokkene terug te plaatsen, het ontslag en de voorwaarden voor het ontslag in stand heeft gelaten. Betrokkene komt in aanmerking voor WW en voor bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen, maar de Centrale Raad oordeelt dat geen sprake is van een overwegend aandeel van het college in het ontstaan en voortbestaan van de ontslaggrond, zodat compensatie volgens de formule in de uitspraken van de Centrale Raad van 28 februari 2013 op juiste gronden achterwege is gebleven.
Het verzoek van betrokkene om ondersteuning en rechtsbijstand dateert van na de weigering om haar te laten terugkeren naar haar oude functie, maar van vóór het ontslagbesluit. Betrokkene beriep zich op de bepaling uit de toepasselijke regeling over het doen van melding van een misstand dat de melder als gevolg van de melding geen nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie mag ondervinden. Het college heeft als voorwaarde gesteld dat een redelijk vermoeden van een verband tussen de klokkenluidersmeldingen en de door betrokkene bedoelde nadelige gevolgen moet bestaan om voor rechtsbijstand in aanmerking te komen. De Centrale Raad acht dit geen onredelijke uitleg van de toepasselijke regeling. Volgens het college ontbreekt in dit geval een dergelijk verband, en ook dit standpunt wordt door de Centrale Raad gebillijkt. De Centrale Raad is van oordeel dat noch in het dossier, noch in wat betrokkene ter zitting heeft verklaard, aanknopingspunten zijn te vinden voor haar betoog dat de rechtspositionele besluiten op enigerlei wijze voortvloeien uit haar klokkenluidersmeldingen.
Het principiële belang van deze uitspraak ligt besloten in de overwegingen van de Centrale Raad met betrekking tot de bewijslast van het causaal verband. Betrokkene heeft verwezen naar een Resolutie van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 29 april 2010 en een Aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 30 april 2014. Op basis hiervan heeft zij betoogd dat wanneer een klokkenluidersmelding is gedaan en vervolgens nadelige maatregelen jegens de klokkenluider zijn getroffen, de bewijslast moet worden omgekeerd, zodat op het college de bewijslast rust om aan te tonen dat een verband tussen de meldingen en de getroffen maatregelen ontbreekt. De Centrale Raad wijst deze stelling van betrokkene van de hand. Vooropgesteld dat de Resolutie en Aanbeveling geen ieder verbindende bepalingen als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet zijn, houdt de Centrale Raad vast aan de lijn dat van betrokkene mag worden gevraagd dat zij een begin van aannemelijkheid aandraagt voor het door haar gestelde verband tussen de door haar bedoelde nadelige gevolgen en haar klokkenluidersmeldingen. Het beroep van betrokkene op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Heinisch v. Duitsland (EHRM 21 juli 2011) slaagt niet, reeds omdat er in het geval van betrokkene geen aanknopingspunten zijn voor een verband tussen het ontslagbesluit en de klokkenluidersmeldingen.
Centrale Raad van Beroep 4 januari 2018, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2018:29
Door Bas de Moor
"