Nieuwsbrief voor overheden
Het hof is van oordeel dat ter beoordeling van de gegrondheid van de vordering van appellant nader feitenonderzoek en/of nadere instructie noodzakelijk is, waarvoor in een procedure in kort geding geen plaats is.
Appellant en de gemeente Edam-Volendam corresponderen en voeren gesprekken over een mogelijke huur door de gemeente van kantoorruimte in een bedrijfsverzamelgebouw in eigendom van appellant. Appellant is van oordeel dat een huurovereenkomst tot stand is gekomen en vordert in kort geding veroordeling van de gemeente tot betaling van de waarborgsom en de maandelijkse huur, totdat de huurovereenkomst zal zijn geëindigd. De kantonrechter wijst de vordering van appellant af, omdat de vordering onvoldoende aannemelijk is aangezien hij appellant niet in zijn stellingen kan volgen. Appellant gaat in hoger beroep.
Zoals bij iedere procedure in kort geding het geval is, geldt dat de eiser een spoedeisend belang moet hebben bij zijn vordering. Het hof oordeelt dat aan dit vereiste is voldaan. Ook overweegt het hof dat voor niet-ontvankelijkverklaring slechts aanleiding bestaat, indien de vordering niet kan slagen om een processuele reden, die buiten het materiële geschil gelegen is. Verder overweegt het hof dat in het algemeen geldt dat de in kort geding beslissende rechter zich heeft te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure, waarbij voor nader feitenonderzoek en/of nadere instructie geen plaats is. In casu is naar het oordeel van het hof nader feitenonderzoek en/of nadere instructie noodzakelijk , waarvoor een kort geding zich niet leent, en is volstrekt onzeker hoe in de bodemprocedure wordt beslist, zodat het vonnis wordt bekrachtigd.
Hof Amsterdam 17 januari 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHAMS:2017:145
Door Lianne Broekhuysen
"