Nieuwsbrief voor overheden

Een discussie over de vraag of de kosten van bestuursdwang terecht (geheel) ten laste van de overtreder worden gebracht kan niet alleen in de procedure tegen het bestuursdwangbesluit aan de orde worden gesteld, maar ook in de procedure tegen de kostenbeschikking. Zo lijkt in ieder geval te volgen uit de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2017.

De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. Zo bepaalt artikel 5:25 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld ABRvS 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:499) kan voor het maken van een uitzondering onder meer aanleiding bestaan als de overtreder van de ontstane situatie geen verwijt kan worden gemaakt en bij het ongedaan maken van de met het recht strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat de kosten redelijkerwijs niet of niet geheel voor rekening van de overtreder behoren te komen.

Dat de kosten van bestuursdwang voor rekening van de overtreder zullen komen, moet wel door het bestuursorgaan worden beslist en worden vermeld in het bestuursdwangbesluit.

Is de overtreder het niet eens met het feit dat de kosten voor zijn rekening zullen komen, dan moet hij opkomen tegen het bestuursdwangbesluit. In een procedure tegen de kostenbeschikking kan de overtreder klagen over de hoogte van de kosten, maar niet meer over het feit dat de kosten voor zijn rekening komen. Althans, dat dacht ik totdat ik de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2017 las.

Deze uitspraak is gedaan in een procedure tegen een kostenbeschikking van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen. Het college had eerder een last onder bestuursdwang opgelegd aan een mevrouw die haar huis zo vol had gestouwd met spullen dat er volgens de brandweer een brandgevaarlijke situatie was ontstaan. Het college had haar gelast om hieraan een einde te maken onder vermelding dat het anders voor haar rekening bestuursdwang zou toepassen.

Tegen de last onder bestuursdwang maakte de overtreedster geen bezwaar, zo is mij door een vertegenwoordiger van het college bevestigd. Tegen de kostenbeschikking kwam de overtreedster wel op. In die procedure voerde zij aan dat zij leed aan een psychische aandoening, het zogeheten ‘hoarding disorder’, waardoor haar geen verwijt gemaakt kon worden van de ontstane situatie. Om die reden vond zij dat het college de kosten van bestuursdwang ten onrechte voor haar rekening had laten komen.

De rechtbank stelde de overtreedster in het gelijk en oordeelde dat de omstandigheden in dit geval maakten dat het niet redelijk was om de kosten volledig ten laste van de overtreedster te brengen. In de nieuwe beslissing op bezwaar besloot het college de helft van de kosten voor rekening van de overtreedster te brengen. Het college en de overtreedster stelden allebei hoger beroep in. In hoger beroep laat de Afdeling de uitspraak van de rechtbank in stand en verklaart zij het hoger beroep van de overtreedster tegen de nieuwe beslissing op bezwaar ongegrond.

Het lijkt erop dat het college niet heeft aangevoerd dat de overtreedster in deze procedure tegen de kostenbeschikking niet meer kan aanvoeren dat de kosten ten onrechte voor haar rekening zullen komen. De vraag is of de rechtbank en de Afdeling zich om die reden hierover niet hebben uitgelaten of dat zij echt vinden dat deze discussie ook nog in de procedure tegen de kostenbeschikking kan worden gevoerd.

ABRvS 19 april 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2017:1062

Door Jaap IJdema

"

Actualiteiten overzicht