Nieuwsbrief voor overheden
Een vaak terugkerende discussie in de jurisprudentie gaat over ‘landjepik’. In een land waar grond relatief schaars is, wordt het spanningsveld tussen enerzijds het sterke eigendomsrecht en anderzijds de bevordering van de rechtszekerheid en de gedachte van de wetgever dat na een zeker tijdsverloop het recht zich bij de feiten dient aan te sluiten zichtbaar.
Hoe zit het ook alweer?
Voor verkrijgende verjaring is vereist dat de eigenaar gedurende (meer dan) twintig jaar geen actie heeft ondernomen tegen het verlies van zijn bezit van eigendom. Voor verkrijgende verjaring op de voet van artikel 3:105 BW is in de eerste plaats vereist dat sprake is van bezit. Niet relevant is of het bezit al dan niet te goeder trouw is. Evenmin is relevant hoe lang de actuele bezitter bij het verstrijken van de termijn het bezit van het goed al heeft. Voor de voltooiing van de verjaring is nodig dat de toestand dat een ander dan de rechthebbende bezitter (althans onrechtmatig houder) is, gedurende de gehele verjaringstermijn van twintig jaren heeft voortgeduurd.
De vraag of sprake is van (ondubbelzinnig) bezit dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van artikel 3:107 BW e.v.. De ‘inbezitnemer’ moet de feitelijke macht over een goed (zaak of recht) direct of indirect uitoefenen met de (al dan niet gerechtvaardigde) pretentie rechthebbende te zijn. Wanneer iemand het goed voor zichzelf houdt, dan sluit dat uit dat hij een ander als rechthebbende erkent. Artikel 3:108 BW bepaalt dat de vraag of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf doet, wordt beoordeeld naar de verkeersopvatting op grond van uiterlijk waarneembare feiten. Alle omstandigheden van het geval, de aard en de bestemming van het goed waarom het gaat, de reden waarom het goed in bezit is genomen en de manier waarop etc. moeten tegen elkaar worden afgewogen.
De HR heeft dat in zijn arrest van 18 september 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2743) de criteria voor inbezitneming als volgt samengevat:
“Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (art. 3:113 lid 1 BW). Indien de zaak in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende (art. 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet derhalve zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet (Parl. Gesch. Boek 3, p. 434). Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, bepaald naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten (art. 3:108 BW).”
Tot zover niks nieuws. Maar de schoen wringt met name zodra het gaat over publieke eigendom. De eigenaar is daar immers veelal niet (tijdig) bekend met de vermeende inbezitneming en bovendien zal de eigenaar het vaak als positief ervaren. Als een burger een groenstrook gaat onderhouden, dan zal de gemeente daartegen geen bezwaar hebben. Voor zover de gemeente al bekend is met de situatie zal de gemeente niet per definitie haar eigendomssituatie daarmee willen opgeven.
De ontwikkelingen
Met name omtrent het aspect publieke eigendom heeft de Procureur-Generaal (hierna: ‘PG’) een lezenswaardige conclusie geschreven in een zaak waarin cassatie werd ingesteld door de vermeend inbezitnemer.
De bij cassatie ingestelde klachten zijn met name interessant waar zij zien op twee aspecten uit rechtsoverweging 3.3.3, zoals het hof ‘-s-Hertogenbosch bij arrest van 21 april 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:1487) heeft weergegeven.
Allereerst het eerste aspect uit rov. 3.3.3:
“De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof bij haar beoordeling van de door [appellanten] gestelde feiten en omstandigheden, waaruit volgens [appellanten] zou blijken van bezit van hen en hun rechtsvoorgangers van de strook grond, terecht vooropgesteld dat bij onroerende zaken – die men niet van hun plaats kan wegvoeren en waarvan de eigendom is geregistreerd in notariële aktes van levering die bij het kadaster worden ingeschreven – niet snel een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet rechthebbende pleegt te worden aangenomen.”
De vooropstelling zou volgens de klacht niet juist zijn. De PG merkt op dat zelfs als het hof dit als algemeen uitgangspunt zou hanteren dit niet op voorhand verwerpelijk is. Gezien het feit dat de rechtszekerheid reeds wordt gediend doordat een onroerende zaak niet kan worden meegevoerd en via een notariële levering bij het kadaster wordt ingeschreven is het niet onjuist om als uitgangspunt te hanteren dat naar verkeersopvatting bij onroerende zaken niet snel een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet rechthebbende valt aan te nemen, aldus de PG.
Ten tweede het tweede aspect uit rov. 3.3.3:
“Dat geldt naar het oordeel van het hof temeer bij stroken publieke eigendom die grenzen aan percelen die aan privépersonen in eigendom toebehoren. Dat eigenaren of huurders en/of andere gebruikers van belendende privé-percelen gebruik maken van dergelijke stroken grond en/of deze onderhouden ter verhoging van het genot van hun privé-percelen is niet ongebruikelijk. Enige ondubbelzinnige blijk van enige pretentie van de niet-rechthebbende om de strook grond voor zichzelf te houden en zich deze toe te eigenen, kan daar niet zonder meer in gelegen worden geacht.”
Ook de PG acht het niet onjuist om het uitgangspunt aan te vullen met dit onderscheid naar het publieke eigendom. Bij de vraag of een machtsuitoefening naar verkeersopvatting geldt als het houden van een goed voor zichzelf, moet immers rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de aard en de bestemming van het goed. Het gaat in dit geval om een strook publieke eigendom (openbare groenvoorziening). Voor inbezitneming is meer nodig dan enkel gebruik of onderhoud van een strook publieke eigendom ter verhoging van het genot van het privéperceel. Of daarvan in dit geval sprake is, heeft het hof beoordeeld in de rov. 3.3.4 e.v. van het bestreden arrest.
De PG stelt voor wat betreft het oordeel in 3.3.4 vast dat dit van feitelijke aard is en dus niet geschikt is voor cassatie.
Het hof meent in elk geval dat het feit dat de gemeentelijke groenstrook voor de particulieren een natuurlijke omzoming van hun achtertuin vormde en het feit dat een afscheiding van paaltjes met gaas of draad om de bewegingsvrijheid van honden en/of kinderen te beperken, niet valt te scharen onder uiterlijk waarneembare gedragingen waaruit naar verkeersopvatting ondubbelzinnig een gaan houden voor zichzelf met onttrekking van bezit aan de gemeente kan worden afgeleid.
De conclusie moet zijn dat de vraag of grond is verkregen door verjaring moet worden beoordeeld aan alle omstandigheden van het geval. De PG vult aan dat daarbij in acht moet worden genomen dat in geval van een onroerende zaak (zoals grond) niet snel een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet rechthebbende valt aan te nemen. Dit geldt nog sterker indien sprake is van publieke eigendom.
HR 8 juli 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:PHR:2016:198
"