Nieuwsbrief voor overheden
In het verleden heeft het college van burgemeester en wethouders handhavend opgetreden tegen illegale permanente bewoning op het vakantiepark Parc Patersven te Zundert. Het ging voornamelijk om arbeidsmigranten die langdurig op het park verbleven. Twee omwonenden verzochten het college verschillende malen om handhavend op te treden in verband met overlast. Dit heeft geleid tot verschillende gerechtelijke procedures. Sinds 2004 wordt door het gemeentebestuur gestreefd naar legalisering.
Hoewel de omwonenden zich daartegen blijven verzetten, heeft de gemeenteraad in mei 2015 besloten een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Dit plan maakt het mogelijk om in 420 van de 480 woningen permanent door een huishouden of een niet-huishouden van maximaal vier personen te wonen. Naast de twee omwonenden, komt de voormalige beheerder van het park, die twee woningen en een loods op het park in eigendom heeft, op tegen de vaststelling van het bestemmingsplan.
Voordat de Afdeling tot de inhoudelijke beoordeling komt, stelt zij vast dat de Vereniging van eigenaren en de bewoners van het vakantiepark instemmen met de bestemmingswijziging. Om er zeker van te zijn dat een ieder de gelegenheid heeft gehad om zijn/haar visie op het bestemmingsplan te geven, heeft de Afdeling een aankondiging om deel te nemen aan de procedure laten plaatsen in de Staatscourant en een lokaal huis-aan-huisblad. Dit heeft ertoe geleid dat een groot aantal eigenaren in het vakantiepark van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt.
De twee omwonenden voeren onder andere aan dat de recreatiewoningen op het park niet aan de eisen uit het Bouwbesluit aan een reguliere woning voldoen. Zij vrezen hierdoor onder andere voor de brandveiligheid. De Afdeling doet dit argument af met toepassing van het relativiteitsvereiste: de normen van het Bouwbesluit strekken niet tot bescherming van de belangen van de omwonenden. De dichtstbij gelegen recreatiewoningen liggen op ongeveer 130 meter afstand en er liggen een watergang en akkers tussen die woningen en de percelen van de omwonenden. Dit ondanks dat de Afdeling vaststelt dat de wettelijke voorschriften in het Bouwbesluit mede strekken tot bescherming van de veiligheid van bewoners van belendende percelen.
Aan de Afdeling wordt vervolgens de vraag voorgelegd of er een milieueffectrapport had moeten worden opgesteld in verband met de gevolgen van permanente bewoning in plaats van recreatieve bewoning. Dit aangezien van een wijziging als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) ook sprake kan zijn indien geen nieuwe bewoning en andere voorzieningen mogelijk worden gemaakt, maar het toegestane gebruik zodanig wijzigt dat het nieuwe plan voorziet in een gewijzigde activiteit die een aanzienlijk milieueffect kan hebben. De Afdeling is in dit geval echter van mening dat de planologische wijzigingen zodanig ondergeschikt zijn dat niet gesproken kan worden over een wijziging als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit mede omdat er slechts een beperkte toename van het verkeer zal optreden.
Daarna toetst de Afdeling het bestemmingsplan aan de ladder van duurzame verstedelijking. In dat kader stelt de Afdeling vast dat de gebruiksmogelijkheden van de bestaande recreatiewoningen toenemen, zodat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat moet worden onderbouwd wat de actuele regionale behoefte is en in hoeverre in die behoefte binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. In de plantoelichting wordt aangegeven dat er behoefte is aan permanente huisvesting voor arbeidsmigranten en dat hierin gedeeltelijk wordt voorzien met dit bestemmingsplan. Tevens is een inventarisatie gehouden op basis waarvan uitsluitend de woningen die al permanent bewoond werden, als zodanig bestemd zijn. Er zal dus geen toename van de woningvoorraad optreden. Aangezien het oude bestemmingsplan al voorzag in 500 recreatiewoningen, dient het plangebied daarbij te worden aangemerkt als bestaand stedelijk gebied. De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan op dit punt dus deugdelijk onderbouwd, aldus de Afdeling.
De overige door de twee omwonenden aangehaalde argumenten worden door de Afdeling met toepassing van artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht gepasseerd. Het bestemmingsplan is niet in strijd met de goede ruimtelijke ordening. Ten aanzien van een van de woningen die in eigendom is bij de voormalige beheerder stelt de Afdeling nog wel vast dat de gemeenteraad had moeten beoordelen of deze woning in het verleden duurzaam werd bewoond. De gemeenteraad krijgt 20 weken de tijd om alsnog te beoordelen of deze woning anders kan worden bestemd.
ABRvS 1 juni 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2016:1503
Door mw. mr. A.A. Broekman–de Feijter
"