Nieuwsbrief voor overheden

Ook in het ambtenarenrecht doet zich regelmatig de vraag voor hoever de verplichting voor de aanvrager van een beschikking reikt om de voor een beslissing vereiste gegevens en bescheiden te verschaffen, en waar het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer begint. In een recente uitspraak werkt de Centrale Raad van Beroep zijn jurisprudentie op dit punt uit.

Wat was het geval?

Een ambtenaar van de gemeente Rotterdam is in de uitoefening van haar werkzaamheden enkele malen bedreigd en uitgescholden. Betrokkene is uitgevallen en heeft uiteindelijk ontslag gekregen wegens arbeidsongeschiktheid door ziekte. Haar was toen inmiddels een WGA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op grond van haar rechtspositie verzocht betrokkene vervolgens aan haar werkgever om een aanvullende uitkering te verlenen wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.

Hierbij is discussie ontstaan over de vraag of en zo ja, in hoeverre er een oorzakelijk verband is tussen de arbeidsongeschiktheid en het werk of de werkomstandigheden. De rechtbank heeft geoordeeld dat, om te kunnen toetsen of sprake is van een causaal verband, duidelijk zal moeten zijn wat de aard van de arbeidsongeschiktheid is en waardoor die is veroorzaakt. Nu er geen objectieve medische stukken zijn waaruit blijkt wat precies de klachten van betrokkene zijn en dat sprake is van een oorzakelijk verband tussen die klachten en het werk of de werkomstandigheden, heeft het bevoegd gezag de aanvullende uitkering volgens de rechtbank op goede gronden afgewezen.

De Centrale Raad is het daar niet mee  eens.

De Centrale Raad herhaalt zijn vaste lijn dat bij de toepassing van een regeling zoals hier aan de orde eerst de in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren, die de arbeidsongeschiktheid zouden hebben veroorzaakt, moeten worden geobjectiveerd. Naar mate de ziekte meer van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden –objectief bezien– een buitensporig karakter dragen. De beoordeling hiervan vergt een juridische kwalificatie van de zich voordoende feiten. Indien is vastgesteld dat de werkomstandigheden –objectief bezien- een buitensporig karakter droegen, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat tussen die werkomstandigheden en de psychische ziekte van de betroken ambtenaar een (toereikend) oorzakelijk verband bestaat. Dat is slechts anders indien het bestuursorgaan op basis van gegevens van medische aard aannemelijk maakt dat een evident andere oorzaak voor de psychische ziekte aanwezig is, dan de als buitensporig aan te merken werkomstandigheden. De Centrale Raad verwijst hiervoor naar een uitspraak van 21 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR4097). In onderhavige zaak kadert de Centrale Raad het debat vervolgens in door als uitgangspunt te nemen dat de buitensporigheid van de werkomstandigheden in het geval van betrokkene niet ter discussie staan. Er moet dus worden uitgegaan van de vooronderstelling dat de psychische arbeidsongeschiktheid daarin zijn oorzaak vindt, tenzij daarvoor op grond van medische gegevens een evident andere oorzaak is aan te wijzen. De Centrale Raad vult dit toetsingskader aan door te benadrukken dat voor de beantwoording van de vraag naar het oorzakelijk verband tussen werkomstandigheden en arbeidsongeschiktheid de precieze diagnose van de psychische aandoening van betrokkene niet van belang is. De aanwijzing van andere factoren dan de incidenten op het werk, zoals de persoonlijkheidsstructuur van betrokkene, als bijdrage aan het ontstaan of het voortduren van de arbeidsongeschiktheid is ontoereikend om af te doen aan de aannemelijkheid van het causaal verband.

De Centrale Raad corrigeert dus de rechtbank en bepaalt dat betrokkene in aanmerking komt voor de aanvullende uitkering.

Hoewel de Centrale Raad zich hierover niet uitlaat, sluit deze uitspraak naadloos aan op de doorwerking van de privacywetgeving, zoals die ook in andere onderdelen van het bestuursrecht zichtbaar is. Voor de verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid bestaan strenge regels. In beginsel is die verwerking niet toegestaan, tenzij er sprake is van één van de in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) beschreven situaties. Tot die uitzonderingen behoren werkgevers, pensioenfondsen en instellingen die voor hen werkzaam zijn, voor zover de verwerking van de medische gegevens noodzakelijk is voor een goede uitvoering van wettelijke voorschriften, die voorzien in aanspraken, die afhankelijk zijn van de gezondheidstoestand van betrokkene. Het komt wel vaker voor dat een medische diagnose niet noodzakelijk wordt geacht om de aanspraak van een belanghebbende op een bepaalde voorziening vanwege zijn of haar beperkingen vast te stellen. Een dergelijke situatie speelde ook hier.

CRvB 21 september 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2017:3255

Door Bas de Moor

"

Actualiteiten overzicht