Nieuwsbrief voor overheden

Wat was er aan de hand?
Op 16 oktober 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen (hierna: het college) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een schuur. Aan die vergunning is het voorschrift verbonden dat binnen 6 maanden na gereedkomen van de schuur een aantal te slopen schuren dienen te zijn gesloopt en verwijderd.

Appellant woonde ten tijde van het verlenen van de vergunning naast het perceel waarop de schuur zou worden gebouwd. Appellant heeft na het verstrijken van de termijn voor het slopen van de schuren een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Dat handhavingsverzoek heeft het college niet-ontvankelijk verklaard, omdat het college inmiddels zelf al een handhavingstraject was gestart.

Appellant is tegen deze niet-ontvankelijkverklaring in rechte opgekomen. In eerste aanleg heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hangende de procedure in hoger beroep is appellant verhuisd. Na de verhuizing woont hij niet meer naast, maar op ongeveer 400 meter afstand van het perceel. Om die reden heeft het college zich op het standpunt gesteld dat hoe dan ook het procesbelang was komen te vervallen.

Appellant was het hiermee oneens en meende wel degelijk procesbelang te hebben. Volgens hem is het procesbelang niet afhankelijk van een verhuizing en heeft hij door de complexe relatie met vergunninghouder last van gezondheidsklachten en derft hij woongenot.

De Afdeling stelt voorop dat de bestuursrechter een (hoger beroep) alleen inhoudelijk hoeft te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt volgens de Afdeling dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het beroep feitelijk moet kunnen worden bereikt en voor de indiener feitelijk van betekenis is. De indiener moet een actueel en reëel belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling. Als dat belang is vervallen, dan hoeft de bestuursrechter geen uitspraak te doen.

In dit geval oordeelt de Afdeling dat appellant na zijn verhuizing geen zicht meer heeft op de woning en dat een uitspraak geen feitelijke betekenis voor hem heeft. Daarvoor is mede redengevend dat appellant ook onvoldoende heeft gesteld voor het oordeel dat hij schade heeft geleden door de besluitvorming van het college. De Afdeling komt tot de conclusie dat appellant geen procesbelang meer heeft en verklaart zijn beroep ongegrond.


ABRvS, 10 september 2025, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2025:4326
 

Actualiteiten overzicht

Maak kennis met onze specialisten

Bekijk ons team