Nieuwsbrief voor overheden
Ambtenaren kunnen betrokken raken in een strafrechtelijk onderzoek als verdachte, getuige of anderszins, in de uitoefening van hun functie of als privépersoon. De Centrale Raad van Beroep heeft zich al meerdere malen uitgelaten over het zwijgrecht van een ambtenaar als zijn werkgever hem vragen stelt over strafrechtelijk onderzoek waar deze ambtenaar als privépersoon in betrokken is geraakt (o.a. CRvB 16 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3371). De werkgever moet natuurlijk wel op de hoogte zijn van het onderzoek voordat hij hierover vragen kan stellen aan de ambtenaar. Hoe zit het dan met de verplichting van een ambtenaar om zijn betrokkenheid in een strafrechtelijk onderzoek te melden bij zijn werkgever, als die werkgever daar nog geen weet van heeft? En welke consequenties kunnen door die werkgever worden verbonden aan het niet melden? Twee uitspraken van de Centrale Raad (één recent en één iets ouder) geven duidelijkheid hierover. In beide gevallen begint de kwestie met het door de politie aantreffen van een hennepplantage. In de zaak die leidde tot de uitspraak van 13 augustus 2015, ging het om een hennepplantage in de woning van de ambtenaar. De ambtenaar werd naar aanleiding hiervan in verzekering gesteld. Toen dit uitkwam, kreeg betrokkene van zijn werkgever onvoorwaardelijk strafontslag. Hij had zijn inverzekeringstelling niet onmiddellijk na zijn vrijlating gemeld en ook niet in de weken daarna. Dit levert naar het oordeel van de Centrale Raad plichtsverzuim op. De Centrale Raad oordeelt dat het advies van de advocaat van de ambtenaar om niet te melden, de ambtenaar niet ontsloeg van zijn verantwoordelijkheid en de daaruit voortvloeiende verplichtingen jegens zijn werkgever. Dat betrokkene zich kort voor zijn detentie – toevallig – had ziek gemeld, en dus een grond had voor zijn afwezigheid, acht de Centrale Raad niet van belang. De Centrale Raad oordeelt dat door het niet melden het vertrouwen in betrokkene is beschaamd, hetgeen een onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt.
Maar betekent dit dat de werkgever alleen disciplinair kan optreden tegen niet melden? En rust de meldplicht alleen op verdachten in een strafrechtelijke onderzoek? Nee, ook ambtenaren die zelf (nog) niet verdacht worden zijn onder omstandigheden verplicht om bij hun werkgever melding te maken van hun betrokkenheid in een strafrechtelijk onderzoek. Een niet melden kan, behalve tot disciplinaire maatregelen, ook leiden tot ongeschiktheidsontslag. Een uitspraak van de Centrale Raad van 12 november 2015 zet dit heel scherp neer. Het ging hierin om een hennepkwekerij in een woning die eigendom was van betrokkene maar door hem werd verhuurd. Of betrokkene ook zelf verdachte was blijkt niet uit de uitspraak en speelt daarin verder geen rol. De Centrale Raad neemt het oordeel van de rechtbank, dat betrokkene ongeschikt was voor de functie, zonder veel plichtplegingen over. Uit de uitspraak wordt duidelijk dat voor de Centrale Raad zwaar meeweegt dat betrokkene blijkens zijn uitlatingen niet doordrongen was van de noodzaak tot melden. Hij volhardde aanvankelijk in de stelling dat de werkgever bij zo’n melding geen belang had, waaruit de Centrale Raad de conclusie trekt dat het innerlijk besef bij betrokkene van de eisen die aan zijn integriteit worden gesteld, ontbreekt. Het geven van een verbeterkans was, ondanks het door betrokkene later getoonde inzicht, volgens de Centrale Raad niet zinvol en kon achterwege blijven. De Centrale Raad bevestigt dat zo’n verbeterkans bij een ongeschiktheidsontslag wel het uitgangspunt is en dat hiervan alleen kan worden afgezien in “bijzonder sprekende gevallen”. Kennelijk was zo’n geval hier aan de orde. Het valt overigens niet uit te sluiten dat de functie van betrokkene in dit strenge oordeel van de Centrale Raad een rol heeft gespeeld. Hij was ambtenaar bij de Belastingdienst/douane, in welke hoedanigheid hij was aangesteld als opsporingsambtenaar. Van zo’n functionaris mag je inderdaad wel enig normbesef verwachten…
CRvB 13 augustus 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2015:2731
CRvB 12 november 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2015:3972
"