Nieuwsbrief voor overheden

Op 21 juli 2016 deed de Centrale Raad een uitspraak die op enkele punten ‘wringt’. Eerst maar even de feiten: een medewerker van de Dienst Justitiële Inrichtingen kreeg in 2004 kort na elkaar een berisping en daarna onvoorwaardelijk strafontslag wegens schendingen van de op hem rustende verplichtingen op grond van het verzuimprotocol. Er volgden procedures tegen het ontslag die in 2011 hebben geleid tot herstel van het dienstverband. Betrokkene heeft zijn werkzaamheden bij de Dienst Justitiële Inrichtingen daarna hervat. In 2013 werd betrokkene echter aangehouden voor het plegen van huiselijk geweld. Naar aanleiding hiervan heeft de werkgever de justitiële documentatie van betrokkene opgevraagd. Daaruit bleek dat betrokkene in de periode van 2004 t/m 2013 meerdere malen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Er volgde strafontslag, waarbij het aan betrokkene verweten plichtsverzuim eruit zou bestaan dat hij vanaf januari 2004 in diverse strafrechtelijke trajecten terecht is gekomen en dat hij dit niet heeft gemeld aan zijn leidinggevenden. Voor betrokkene gold in elk geval vanaf het herstel van zijn dienstverband een meldplicht ten aanzien van strafrechtelijke trajecten, zo oordeelt de Centrale Raad. De Centrale Raad laat het strafontslag in stand.

Deze uitspraak wringt om meerdere redenen. In een eerdere uitspraak heeft de Centrale Raad immers geoordeeld dat gedragingen of omstandigheden die hebben plaatsgevonden in een periode waarin een ambtenaar als ontslagen moet worden aangemerkt, voorafgaand aan herstel van het dienstverband, niet ‘met terugwerkende kracht’ kunnen worden aangemerkt als plichtsverzuim (CRvB 21 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2591). Volgens deze jurisprudentie hadden de strafbare feiten van betrokkene in de periode 2004-2011 niet als zelfstandig plichtsverzuim mogen worden aangemerkt. Bovendien wordt voor betrokkene (ook) ten aanzien van de feiten uit de periode dat hij geen dienstverband had een meldplicht aangenomen.

Nu valt dit laatste misschien nog wel te billijken. Het aannemen van een meldplicht is in het ambtenarenrecht geen onbekend verschijnsel. Afhankelijk van de context kan hiervan sprake zijn bij het hebben van een affectieve relatie (vzr. CRvB 14 juni 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AI1306), de aanwezigheid bij een ernstig incident veroorzaakt door een collega (rb Rotterdam 2 augustus 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BY1314) en het ondervinden van financiële problemen (CRvB 2 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2176). Er wordt regelmatig ook een meldplicht aangenomen bij zowel eigen strafrechtelijke betrokkenheid als strafrechtelijke acties tegen iemand uit de privé kring (vzr CRvB 7 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1854). In het licht van deze jurisprudentie is voorstelbaar dat ten aanzien van de ambtenaar uit de uitspraak van 21 juli 2016 een meldplicht werd aangenomen. Maar opmerkelijk is wel dat deze meldplicht volgens de bedoelde uitspraak voor betrokkene voortvloeide uit de bepaling in de Gedragscode dat hij zich integer moest gedragen. In deze Gedragscode wordt ‘integer’ gedefinieerd als onschendbaar, onkreukbaar en rechtschapen. Een helder beeld van wat er van een ambtenaar verwacht wordt, geeft de definitie hiermee niet. Een overtuigende basis voor een concrete norm zoals een meldplicht, die nauwkeurig te omschrijven valt, levert de Gedragscode in mijn opinie dan ook niet. 

Dit brengt mij tot het laatste onderdeel van de uitspraak dat aandacht vraagt. Betrokkene heeft gesteld dat zijn werkgever ten tijde van in elk geval de bezwaarprocedure tegen het strafontslag uit 2004 reeds op de hoogte was van de (eerste) strafrechtelijke vervolging van betrokkene voor huiselijk geweld. Door betrokkene is aangevoerd dat deze wetenschap bij werkgever voor deze werkgever in 2011 geen reden heeft gevormd om het dienstverband niet te herstellen danwel een nieuwe ontslagprocedure te starten. Als reactie hierop volstaat de Centrale Raad met de overweging dat de strafbare feiten uit 2007, 2008 en in de periode van 2011 t/m 2013 pas bekend zijn geworden nadat betrokkene in 2013 was aangehouden en een disciplinair onderzoek was gestart. Dat is natuurlijk correct, maar een antwoord op de vraag waarom de veroordeling uit 2004 niet al eerder heeft geleid tot het starten van een ontslagprocedure, geeft deze overweging van de Centrale Raad niet. Is het werkelijk zonder betekenis dat het dienstverband in 2011 is hersteld terwijl het bevoegd gezag op de hoogte was (of kon zijn) van de veroordeling uit 2004? Iets meer toelichting van de Centrale Raad op dit oordeel was wenselijk geweest.

CRvB 21 juli 2016, rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:2829 

Door mr. drs. B.F.Th. de Moor

"

Actualiteiten overzicht