Nieuwsbrief voor overheden
Op 27 juli jl. deed de Afdeling drie uitspraken over het (oneigenlijk) gebruik van de Wet openbaar van bestuur (Wob). De drie zaken waren vergelijkbaar en werden tegelijkertijd ter zitting behandeld.
Het ingediende Wob-verzoek luidde als volgt:
Voor wat betreft de al dan niet rechtsgeldige ingebrekestellingen die zijn ingediend vanwege een WOB-verzoek of een verzoek op grond van (…) het bepaalde in artikel 7:18 van de Awb of artikel 7:4, vierde lid, van de Awb in de periode van 01 oktober 2009 tot en met de datum van het onderhavige verzoek om openbaarmaking van documenten ontvang ik graag met een beroep op de WOB de bijbehorende documenten. Het gaat dan om het WOB-verzoek of verzoek artikel 7:4, vierde lid, van de Awb zelf, de ingebrekestelling, het dwangsombesluit, de beslissing op het WOB-verzoek en eventueel van toepassing rechterlijke uitspraken."
De Afdeling heeft zich de vraag gesteld of het hoger beroep ontvankelijk was.
Allereerst herhaalt de Afdeling de overwegingen ten aanzien van misbruik van recht zoals die volgen uit de uitspraken van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:4135) en de uitspraak van 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:426). Misbruik van recht kan zich voordoen als een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven.
Appellant, een Arubaanse ‘veel-Wob’er’, heeft het Wob-verzoek bij alle Nederlandse gemeenten, ministeries en waterschappen ingediend. Het verzoek is onnodig ruim en vaag geformuleerd. Dat doet volgens de Afdeling afbreuk aan het gestelde doel van het verzoek en maakte het op het verzoek te nemen besluit extra vatbaar voor discussie in bezwaar- en beroepsprocedures.
Bovendien overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is geworden dat appellant de vele Wob-verzoeken doet met het oog op het doen van onderzoek. Er is gebleken dat hij geen onderzoeksplan heeft opgesteld en dat hij pas in 2017 of 2018 wil beginnen met een boek over zijn onderzoek. Ook kon hij eerder geen antwoord geven op de vraag waar het onderzoek over gaat.
De verzoeken zijn volledig ingewilligd. Er wordt slechts doorgeprocedeerd omdat er geen vergoeding van proceskosten is toegekend. Daaruit blijkt dat het gemachtigde en appellant niet te doen is om het verrichten van onderzoek, maar om het incasseren van proceskosten ten laste van de overheid. Dat is als misbruik van recht te kwalificeren. De Afdeling verklaart het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk.
Mensen als deze appellant en zijn gemachtigde, die een beroep op de Wob doen vanwege financieel gewin, vangen per 1 oktober a.s. altijd bot. Op die datum treedt de wet tegen misbruik van de Wob in werking. De Eerste Kamer heeft op dinsdag 12 juli jl. ingestemd met het wetvoorstel van minister Plasterk van Binnenlandse Zaken, waarmee een einde komt aan de dwangsom die overheden moeten betalen als ze te laat op Wob-verzoeken reageren.
Wob-verzoeken worden met de wet uitgezonderd van de Wet dwangsom. Er is nog wel rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter mogelijk als bestuursorganen niet of niet tijdig beslissen op een Wob-verzoek.
ABRvS 27 juli 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2016:1839, ECLI:NL:RVS:2016:1840, ECLI:NL:RVS:2016:1841
Door mr. drs. A. Schreijenberg
"