Nieuwsbrief voor overheden

Een ambtenaar was aangesteld in een functie, waarvan de inhoud niet bij zijn verwachtingspatroon bleek te passen. Nadat betrokkene enige tijd ziek is geweest vanwege psychische klachten, is hij gedetacheerd bij een andere organisatie en na terugkeer gestart met een outplacementtraject. Tijdens dit outplacementtraject was betrokkene werkzaam in een aangepaste functie met voor het overgrote deel andere werkzaamheden dan behorend tot zijn functie. Uiteindelijk heeft betrokkene een “niet geheel voldoende”-beoordeling gehad en is zijn aanstelling beëindigd op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functie anders dan wegens ziekten of gebreken.

De Centrale Raad laat zich allereerst uit over de beoordeling. Deze beoordeling ziet op een periode waarin betrokkene eerst was gedetacheerd en daarna aangepaste werkzaamheden verrichtte. Hij is echter beoordeeld aan de hand van de inhoud van zijn formele functie, die hij niet meer uitoefende. De Centrale Raad is van oordeel dat de aangepaste werkzaamheden niet kunnen worden aangemerkt als taken die betrokkene werd geacht uit te oefenen. Door het college was hem nooit gevraagd, laat staan opgedragen om zijn formele functie weer op te pakken. Die functie werd inmiddels overigens door een ander vervuld.

Het ontslag was in deze zaak gemotiveerd met de stelling dat er sprake zou zijn van een gebrek aan aansluiting (“mismatch”) tussen betrokkene en zijn functie. Het kwam er in de kern op neer dat betrokkene een voorkeur had voor juridisch inhoudelijke werkzaamheden, terwijl de nadruk in zijn functie lag bij beleidsmatige aspecten. De Centrale Raad oordeelt dat bij betrokkene geen sprake was van het zonder objectiveerbare reden weigeren, althans zichzelf ongeschikt achten, voor de functie. Betrokkene heeft immers nooit geweigerd zijn formele functie uit te oefenen. Evenmin heeft hij te kennen gegeven zich ongeschikt te achten voor de functie. Dat de functie niet aan zijn wensen voldeed, dat hij al vrij snel op zoek ging naar een andere betrekking en dat hij gebruik maakte van de hem geboden trajecten van detachering en outplacement, betekende niet dat gesproken kan worden van een zodanige mismatch dat het oordeel van ongeschiktheid anders dan om medische redenen gerechtvaardigd zou zijn. Dit oordeel omtrent het ontslag ligt daarmee in het verlengde van het oordeel met betrekking tot de beoordeling.

Ook het ontslag gaat onderuit. Het bevoegd gezag had duidelijker moeten zijn naar betrokkene toe wat van hem werd verwacht. Als een ambtenaar niet wordt gehouden aan de vervulling van zijn functie kan men deze persoon daar later ook niet op afrekenen.

CRvB 27 februari 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2014:659

Door mr. drs. B.F.Th. de Moor

"

Actualiteiten overzicht