Nieuwsbrief voor overheden
Bij een milieustraat in Rotterdam namen personeelsleden afgedankte, (ingeleverde )spullen mee naar huis. In de gehele organisatie was men hiervan op de hoogte. Aangezien het meenemen van goederen in strijd was met de geldende regels en richtlijnen ‘voor ambtenaren’ zijn beveiligingscamera’s opgehangen om de naleving van de regels te controleren.
Door middel van de camerabeelden zijn meerdere ambtenaren betrapt. Een aantal ambtenaren heeft het meenemen van spullen toegegeven. Vervolgens zijn disciplinaire maatregelen opgelegd, variërend van een schriftelijke berisping tot (on)voorwaardelijk strafontslag. Twee ambtenaren die onvoorwaardelijk strafontslag hadden gehad procedeerden hierover tot de Centrale Raad.
In een van deze gevallen oordeelde de rechtbank Rotterdam op 23 juni 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:4713) nog dat uit de camerabeelden bleek dat de ambtenaar goederen had gestolen. In een gesprek waarin de ambtenaar werd geconfronteerd met de camerabeelden heeft hij bekend dat hij diverse goederen heeft meegenomen. De ambtenaar was volgens de rechtbank voldoende gewaarschuwd en zou op de hoogte moeten zijn van de geldende regels. De rechtbank achtte de opgelegde straf evenwel niet evenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. De rechtbank voorzag vervolgens zelf in de zaak en zette de straf om in voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van drie jaar.
In hoger beroep kiest de Centrale Raad een andere insteek. Volgens de Centrale Raad is inderdaad sprake van plichtsverzuim dat de ambtenaar ook kon worden toegerekend. De opgelegde maatregel is naar het oordeel van de Centrale Raad echter niet onevenredig met het plichtsverzuim en het college van burgemeester en wethouders was voldoende voortvarend te werk gegaan in het disciplinair traject. De Centrale Raad corrigeert hiermee de rechtbank. Het belangrijkste punt van de uitspraak volgt dan echter nog.
Problematisch vindt de Centrale Raad namelijk de motivatie van de straftoemeting. Zoals gezegd hebben meerdere ambtenaren in hoogte variërende maatregelen opgelegd gekregen. Daarbij heeft een rol gespeeld of het plichtsverzuim wel of niet was vastgesteld door middel van camerabeelden. Ambtenaren bij wie een combinatie van een bekentenis en camerabeelden als bewijs beschikbaar was, hebben onvoorwaardelijk strafontslag gekregen. Ambtenaren van wie alleen een bekentenis beschikbaar was, hebben voorwaardelijk strafontslag gehad en konden dus in dienst blijven. De Centrale Raad acht het verschil in bewijs onvoldoende rechtvaardiging voor het verschil in strafmaat. De uitspraak van de rechtbank wordt daarom vernietigd en het college krijgt opdracht om een nieuw besluit te nemen.
CRvB 22 september 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:3532
Door mr. M.E. Blesgraaf
"