Nieuwsbrief voor overheden

Tijdens de workshop “Toezicht en bestuurlijke handhaving” op de AvdW-Gemeentedag werd een verzonnen casus behandeld over Restaurant de Kale Kip en verkeerd geplaatste vuilniszakken. Aan de hand daarvan kwamen enkele daderschapsconstructies aan de orde. Ook ‘in het echt’ wordt wel eens een vuilniszak aangetroffen die niet helemaal goed staat. Een Haagse vuilniszak leidde tot een uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2016:1557) op 8 juni 2016. Interessant is de wijze waarop de Afdeling in deze zaak het bewijs van daderschap vaststelt.

In Den Haag werd een vuilniszak aangetroffen op een tijdstip waarop huisafval niet ter inzameling mag worden aangeboden. Die vuilniszak werd met toepassing van spoedeisende bestuursdwang verwijderd. In de vuilniszak werd een envelop aangetroffen met daarop adresgegevens. De kosten van spoedeisende bestuursdwang werden verhaald op de bewoonster van dat adres. Zij ontkent de vuilniszak onjuist te hebben aangeboden.

De Afdeling overweegt dat ‘in de regel zal mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is.’ Dat noemt de Afdeling een bewijsvermoeden. Het is vervolgens aan de bewoonster aannemelijk te maken dat zij niet degene is geweest die de huisvuilzak verkeerd ter inzameling heeft aangeboden.

De Afdeling vond dat – hoewel het tot de mogelijkheden behoort dat een derde de huisvuilzak uit de container van bewoonster heeft meegenomen - bewoonster niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet degene was geweest die de huisvuilzak onjuist had aangeboden. De omstandigheid dat zij zelf over een afvalbak beschikt en dat zij een dergelijke overtreding niet zou begaan, omdat zij zeer actief bezig is met het mooier, schoner en leuker maken van de wijk was voor de Afdeling onvoldoende om niet van het hiervoor vermelde bewijsvermoeden uit te gaan. In deze uitspraak verwijst de Afdeling nog naar een uitspraak van haar in een soortgelijke kwestie(ECLI:NL:RVS:2015:4022), waar een doos afval met daarop adresgegevens op ruim 10 km van de woning werd aangetroffen. Ook daar vond de Afdeling dat bewoonster onvoldoende aan de hand van omstandigheden aannemelijk had gemaakt dat niet zij degene was die de doos onjuist ter inzameling had aangeboden.

De Afdeling komt het college dus ruimhartig tegemoet door een bewijsvermoeden aan te nemen. Wij wagen te betwijfelen of een dergelijke redenering bij het vaststellen van daderschap bij bestraffende sancties ook stand zou (moeten) houden.

ABRvS 8 juni 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2016:1557

Door mw. mr. B. d’Hooghe

"

Actualiteiten overzicht