Nieuwsbrief voor overheden

De raad van de gemeente Lelystad heeft een bestemmingsplan vastgesteld. In dit bestemmingsplan wordt aan het perceel van een van de appellanten de bestemming ‘agrarisch’ toegekend met een bouwvlak en de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. In de planregels wordt ten behoeve van deze bestemming opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfsgebouwen ten behoeve van het huisvesten van vee alleen wordt verleend, indien vaststaat dat daarvoor een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 hetzij niet nodig is, hetzij is of zal worden verleend.

De raad geeft desgevraagd aan dat deze bepaling enkel is opgenomen om duidelijk te maken dat er een relatie bestaat tussen het afgeven van een omgevingsvergunning en bepalingen uit de Natuurbeschermingswet 1998.

De appellant komt tegen deze bepaling op en krijgt daarin gehoor bij de Afdeling. De Afdeling overweegt dat deze bepaling als zodanig niet geschikt is om te worden opgenomen in de planregels. Het gevolg van de bepaling is namelijk dat, ook in gevallen waarin het bouwen van gebouwen is toegestaan, een nadere toetsing door het college van burgemeester en wethouders vereist is voordat een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het bestemmingsplan biedt daarmee onvoldoende zekerheid over de vraag of voor een bouwplan een omgevingsvergunning kan worden verkregen. Dit brengt met zich mee dat het plan op dit punt in strijd met de rechtszekerheid is vastgesteld.  

Ondanks dat de intenties van de raad dus goed waren en de bepaling was bedoeld ter voorlichting voor personen met bouwplannen, blijkt de raad hier dus iets te ver te zijn doorgeschoten in die goede bedoelingen.

ABRvS 19 maart 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2014:1006

Door mr. M.C. Sinke

"

Actualiteiten overzicht