Nieuwsbrief voor overheden

Het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 2 september 2015 over de schade door de gaswinning in Groningen, heeft al veel aandacht gehad. Ik beperk me dan ook tot een korte signalering.

In de praktijk van de overheidsaansprakelijkheid zien we dat gelaedeerden steeds meer een beroep doen op artikel 6:174 BW. Dit omdat deze wettelijke aansprakelijkheid voor de bezitter van een opstal, een zogenaamde risicoaansprakelijkheid is. De rechtspraak leert ons dat het dan kan gaan om (risico)aansprakelijkheid voor de bezitter van een weg en een gebouw. Het kan echter ook gaan om bijvoorbeeld een lift, riool of een gemaal. Het feit dat het gaat om een risicoaansprakelijkheid, verlost degene die schade lijdt van het probleem dat hij de onrechtmatigheid aannemelijk moet maken. Het enkele feit dat de opstal gebrekkig is, is voldoende. Slechts een succesvol beroep op de ‘tenzij-clausule’ van lid 1 kan hem baten.

Enkele artikelen verder vinden we dan dus de risicoaansprakelijkheid voor de exploitant van een mijnbouwwerk (artikel 6:177 BW). In dit artikel is onder andere bepaald dat de exploitant van een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de Mijnbouwwet, aansprakelijk is voor de schade die ontstaat door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van dat werk.

Nu niet in geschil was dat de NAM moest worden beschouwd als exploitant van het mijnbouwwerk, was de grootste hobbel al genomen. De rechtbank stelt dan ook vast dat het betreffende artikel gaat over risicoaansprakelijkheid en derhalve in beginsel losstaat van de vraag of al dan niet sprake is van enige onrechtmatigheid. Daarbij concludeert de rechtbank dat feitelijk niet (langer) ter discussie kan staan dat de aardbevingen in Groningen worden veroorzaakt door de gaswinning. Het hele dossier wijst die kant op en die conclusie lijkt inderdaad onontkoombaar. Dat is voldoende voor het aannemen van deze risicoaansprakelijkheid.

De Stichting Waardevermindering door Aardbevingen Groningen heeft ‘slechts’ gevraagd om een verklaring voor recht dat de NAM aansprakelijk is voor schade bestaande uit de waardevermindering van de onroerende zaken. De rechtbank hoeft voor wat betreft het schadeaspect dus slechts te onderzoeken of “de mogelijkheid van schade aannemelijk is”. Ook die conclusie ligt zeer voor de hand. Daarmee zijn gelaedeerden natuurlijk nog niet (financieel) geholpen want of in een bepaald geval daadwerkelijk sprake is van waardedaling, zal in afzonderlijke procedures moeten worden vastgesteld. Daar moet dan worden ingegaan op mogelijke andere schadeoorzaken en de (andere) kwestie van causaliteit tussen de gestelde schade en de “beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie” van het mijnbouwwerk.

Rb Noord-Nederland 2 september 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBNNE:2015:4185

Door mr. J.J. Jacobse

"

Actualiteiten overzicht