Nieuwsbrief voor overheden
In de sector gemeenten is de werkgever niet langer verplicht om bij een ontslag op ‘overige gronden’, zoals bij verstoorde verhoudingen, behalve de aanvullende bovenwettelijke uitkering altijd ook de nawettelijke uitkering toe te kennen.
In artikel 10d:4 van de CAR-UWO is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders een passende regeling moet treffen als het een ambtenaar ontslag verleent op grond van artikel 8:8 (“ontslag op overige gronden”). De ambtenaar moet vooraf worden gehoord over de inhoud van deze regeling. Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud van de paragraaf over de aanvullende uitkering bij ontslag, zo zegt artikel 10d:4 “voor zover dit redelijk en billijk is”. Over de nawettelijke uitkering, de uitkering die volgt op de WW en bovenwettelijke aanvullende uitkering, zegt de bepaling niets. Men kon zich dus afvragen of die nawettelijke uitkering in de ontslagregeling moest worden meegenomen. De Centrale Raad herhaalt dat bij een ontslag op andere gronden als uitgangspunt geldt dat, naast (een garantie op) een werkloosheidsuitkering, een aanvullende uitkering moet worden toegekend. Een nawettelijke uitkering hoeft (slechts) te worden toegekend als het ontslag is gelegen in de werksfeer en niet grotendeels aan de betrokken ambtenaar te verwijten is.
In de zaak die voorlag was de ambtenaar zelf de confrontatie met haar werkgever aangegaan. Die had uiteindelijk geen andere mogelijkheid gezien dan om betrokkene te ontslaan. Dit ontslag blijft in stand. De Centrale Raad is van oordeel dat het ontslag van betrokkene grotendeels aan haarzelf is te wijten en dat het college haar daarom een nawettelijke uitkering heeft kunnen weigeren. Nu het bevoegd gezag ook geen overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid, komt betrokkene evenmin in aanmerking voor een aanvullende vergoeding (“plus”).
CRvB 12 januari 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2017:84
Door Bas de Moor
"