Nieuwsbrief voor overheden

Een brandwacht is in 1993 op zijn verzoek toestemming verleend voor het hebben van een handelsonderneming in vuurwerk. Naar aanleiding van een veroordeling wegens het in bezit hebben van niet-geregistreerd vuurwerk en de veranderde publieke opinie rond handel in vuurwerk, is deze toestemming in 2005 ingetrokken. Betrokkene heeft het bedrijf vervolgens over­geschreven op naam van zijn echtgenote. In 2010 is betrokkene ontslagen omdat hij in strijd met het verbod was doorgegaan met werkzaamheden in het vuurwerkbedrijf van zijn echtgenote. Voor die conclusie was onder meer gebruik gemaakt van observaties door een recherchebureau. Het ging dan om meerijden en meehelpen bij het ophalen van bestellingen van het bedrijf, het zich ophouden achter de toonbank, maar ook het verzorgen van dranken en broodjes voor zijn echtgenote en de aanwezige medewerkers. Volgens de Centrale Raad gaat dit verder dan wat onder geringe bemoeienis kan worden verstaan en moet dit worden gekwalificeerd als hand- en spandiensten die deel uitmaken van de bedrijfs­voering. Dat niet is gebleken dat betrokkene in het bedrijf directe in- of verkoophandelingen heeft verricht, doet aan dit oordeel geen afbreuk. Als norm formuleert de Centrale Raad dat als bij een ambtenaar nog twijfel bestaat over de vraag wat nog wel en wat niet meer is toegestaan, het op zijn weg ligt om hiernaar te informeren bij het college. Het verbod aan betrokkene om zich met vuurwerkhandel bezig te houden bracht in zijn geval mee dat hij zich verre moest houden van het bedrijf dat werd voortgezet door zijn echtgenote en dat hij elke schijn van betrokkenheid daarbij moest vermijden.

CRvB 12 december 2013, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2013:2806

"

Actualiteiten overzicht