Nieuwsbrief voor overheden
In aflevering 4 van onze nieuwsbrief werden eerder twee uitspraken van de Centrale Raad van 18 mei 2016 besproken. Hieruit werd duidelijk dat gemeenten de beleidsregels, op basis waarvan besluiten over een Wmo-voorziening worden genomen, beter dienen te onderbouwen. Tot op heden is nog niet bekend hoe deze onderbouwing eruit zou moeten zien. Naar aanleiding van de uitspraken van 18 mei 2016 heeft de rechtbank Rotterdam twee recente uitspraken gedaan. In deze uitspraken leidde onvoldoende objectieve onderbouwing van de (afwijkende) beleidsregels tot verschillende uitkomsten.
Op 18 mei 2016 deed de Centrale Raad een aantal uitspraken over de Wmo 2015 (ECLI:NL:CRVB:2016:1491 en ECLI:NL:CRVB:2016:1402) die zijn besproken in het artikel van 14 september 2016. In dit artikel stond kort gezegd dat van belang is dat gemeenten in de beleidsregels omschrijven wat wordt verstaan onder een schone en leefbare woning. Verder dient te worden aangegeven met welke frequentie huishoudelijke hulp moet worden gegeven en hoe dit resultaat moet worden bereikt. In de beleidsregel kan volgens de Centrale Raad niet simpelweg worden aangesloten bij de urennormen die eerder werden gehanteerd. In plaats daarvan dienen deze normen te worden onderbouwd met objectief en onafhankelijk onderzoek. In afwachting van een dergelijke onderbouwing voorzag de Centrale Raad in de uitspraken van 18 mei 2016 zelf in de zaak. Daarbij sloot de Centrale Raad aan bij de laatste, niet ter discussie staande, indicatie of de normen van het CIZ.
Naar aanleiding van deze uitspraken is het duidelijk dat gemeenten de onderbouwing van de gehanteerde beleidsregels moeten aanpassen. Hoe deze onderbouwing er precies uit zou moeten zien is nog onduidelijk. Tot op heden is er nog geen gemeente die, met succes, een dergelijke aanpassing heeft doorgevoerd. In een tweetal recente uitspraken van de rechtbank Rotterdam heeft toepassing van deze uitspraken geleid tot verschillende uitkomsten.
De eerste uitspraak, van 16 november 2016, betrof de vraag of de gemeente mocht verwachten dat de aanvrager gebruik zou maken van een algemene voorziening, namelijk een boodschappenservice. In het bestreden besluit was de gemeente hiervan uitgegaan, waarmee zij was afgeweken van de CIZ-normen. Onder verwijzing naar de eerder genoemde uitspraken van de Centrale Raad is de rechtbank van oordeel dat het besluit wegens onvoldoende onderbouwing niet in stand kan blijven. De gemeente krijgt de gelegenheid om het gebrek te herstellen.
De tweede uitspraak van 17 november 2016 betrof een besluit waarin, op basis van gewijzigd gemeentelijk beleid met afwijkende normtijden, een lager persoonsgebonden budget (PGB) werd toegekend. Eiser was het hier niet mee eens en verzocht om huishoudelijke ondersteuning in de vorm van zorg in natura. In beroep gaf de gemeente, onder verwijzing naar de eerder genoemde uitspraken van de Centrale Raad, aan dat de wijziging van het PGB niet is gebaseerd op voldoende onderbouwde normtijden. De rechtbank komt vervolgens tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en verklaart het beroep gegrond.
Kortom, niet in elke procedure, waarin een gemeente haar beleidsregels naar aanleiding van de uitspraken van de Centrale Raad nog niet heeft aangepast, wordt de gemeente door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen.
Rb Rotterdam 16 november 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBROT:2016:8642
Rb Rotterdam 17 november 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBROT:2016:8680
Door Marlies Blesgraaf
"