Nieuwsbrief voor overheden
Op 23 juni 2016 verwierp de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen een door een ex-gefailleerde (‘eiser’) ingesteld beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de Inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem (‘verweerder’) van door eiser ingediende bezwaarschriften tegen belastingaanslagen.
De standaard gang van zaken bij de Belastingdienst en bij gemeenten inzake het verzenden van de aanslagen Gemeentebelastingen bij een persoon die failliet is verklaard, is om de aanslagen rechtstreeks naar het postadres van de curator te verzenden.
In dit geval ging het om een natuurlijk persoon die op 5 oktober 2010 in staat van faillissement is verklaard.
Eiser danwel zijn curator heeft ondanks een uitnodiging, herinnering en aanmaning geen aangifte ter zake van een aantal belastingen (IB/PVV/ZVW 2011 en IB/PVV/ZVW 2012) ingediend binnen de gestelde termijnen.
Vervolgens is aan eiser op 20 november 2013 een ambtshalve aanslag IB/PVV/ZVW 2011 en op 25 maart 2015 een ambtshalve aanslag IB/PVV/ZVW 2012 met rente en boeten opgelegd.
Het faillissement van eiser is 7 april 2015 opgeheven wegens gebrek aan baten.
Eiser heeft op 30 juli 2015 de aangiften IB/PVV/ZVW 2011 en 2012 ingediend naar een verzamelinkomen van € 0,-, welke aangiften door verweerder zijn aangemerkt als bezwaarschriften.
In de uitspraak op bezwaar zijn de bezwaarschriften door verweerder niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
In het beroepsprocedure tegen de niet-ontvankelijkheidverklaring oordeelt de rechtbank allereerst dat aan de curator van eiser verzonden aanslagen gelden als rechtsgeldig bekend gemaakt aan eiser (vgl. HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5555).
Dat betekent dat de bezwaartermijnen tegen de betreffende belastingaanslagen (in dit geval ingevolge artikel 22J van de Algemene wet inzake rijksbelastingen) zijn aangevangen met ingang van de dag na dagtekening van de betreffende aanslagbiljetten, waardoor zij in dit geval eindigden op 2 januari 2014 respectievelijk 6 mei 2015. De bezwaarschriften van eiser zijn echter pas op 30 juli 2015 door verweerder ontvangen, zodat geldt dat deze niet binnen de wettelijke bezwaartermijn zijn ingediend.
Vervolgens dient de rechtbank nog wel te beoordelen of redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat eiser niet in verzuim is geweest, aangezien dan op grond van het bepaalde in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijkheidverklaring van de bezwaarschriften achterwege dient te blijven. Daarvoor is vereist dat een belastingplichtige nadat hij voor het eerst kennis heeft genomen van het bestaan van de aanslag, het bezwaarschrift zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kon worden verlangd heeft ingediend bij verweerder.
Eiser heeft zelf gesteld dat hij op of kort na de datum van opheffing van zijn faillissement op de hoogte is geraakt van de aanslagen. Hij heeft echter pas ruim drie maanden daarna bezwaar gemaakt door het indienen van de aangiften. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet zo spoedig als redelijkerwijs kan worden verlangd zodat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding van artikel 6:11 Awb. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Rb Noord-Nederland 23 juni 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBNNE:2016:2938
Door mr. F.J. Lewis
"