Nieuwsbrief voor overheden

Bij een koopovereenkomst moet de koper nagaan of de afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoordt. Hij moet daartoe onderzoek doen, voor zover dat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem te verwachten is. Indien de koper bij dat onderzoek ontdekt of had behoren te ontdekken dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, moet hij binnen bekwame tijd klagen bij de verkoper.

In deze zaak ging het om de verkoop van een kantoorgebouw. Enkele jaren na aankoop ontdekte de koper dat in verschillende delen van het gebouw (hechtgebonden) asbest aanwezig was. Tijdens de saneringswerkzaamheden (ongeveer een jaar later) kwam aan het licht dat in het gebouw ook materialen met losgebonden (spuit)asbest voorkwamen, waarbij het risico dat vezels zouden vrijkomen en tot asbestbesmetting zouden leiden groter is dan bij hechtgebonden asbest. De aanwezigheid van losgebonden (spuit)asbest maakte het pand ongeschikt voor het gebruik als kantoorpand, aldus de koper.

Vrijwel meteen nadat de koper had ontdekt dat er ook losgebonden asbest in het pand zat, heeft hij hierover geklaagd bij de verkoper. De vraag was of dit wel tijdig was. Het hof oordeelde dat er niet tijdig was geklaagd indien zou komen vast te staan dat de koper reeds na de ontdekking van de hechtgebonden asbest had moeten vermoeden dat er een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestond dat zich in het gebouw ook losgebonden asbest zou bevinden. Met andere woorden: onderzocht moest worden of de koper naar aanleiding van de ontdekking van het hechtgebonden asbest nader onderzoek had moeten laten verrichten.

De Hoge Raad bevestigde de uitspraak van het hof en overwoog dat het niet zo is dat de koper elk door hem ontdekt gebrek aan de verkoper moet melden. De koper beslist zelf of hij zich jegens de verkoper op een bepaald gebrek wil beroepen. Hij kan er echter ook voor kiezen om een bepaald gebrek voor lief te nemen, maar als de koper later ontdekt dat het gebrek groter van omvang of van een andere aard was dan hij aanvankelijk dacht, of een ander gebrek constateert, dan kan aan een beroep op dat (later) geconstateerde gebrek echter in de weg staan dat de koper na zijn aanvankelijke ontdekking geen nader onderzoek heeft gedaan of laten doen, terwijl dat in de gegeven omstandigheden wel van hem kon worden verwacht. Het is de verkoper die zich daarop moet beroepen.

Kortom: van een koper kan verlangd worden dat hij nader onderzoek laat doen naar de aard en ernst van een gebrek of de aanwezigheid van eventuele andere gebreken. Als hij dat niet doet en een gebrek blijkt later ernstiger te zijn dan gedacht of er duikt later een ander gebrek op, dan loopt hij het risico dat de verkoper met succes kan betogen dat de koper het (nieuwe) gebrek eerder had moeten ontdekken en dus ook eerder had moeten klagen.

HR 9 mei 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2014:1077

Door mw. mr. S. d’Hooghe

"

Actualiteiten overzicht