Nieuwsbrief voor overheden

Omwonenden van een varkensboer die een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor het bouwen van een nieuwe vleesvarkensstal voor ongeveer 3.000 varkens verzetten zich tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leek tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning. Ze vrezen voor stankoverlast.

In hoger beroep hebben zij onder andere aangevoerd dat er ten onrechte geen ontwerp van de op grond van artikel 6.5 eerste lid van het Besluit omgevingsrecht (Bor) vereiste verklaring van geen bedenkingen (vvgb) ter inzage heeft gelegen. Daardoor hebben de omwonenden nooit de gelegenheid gehad om zienswijzen in te dienen over het ontwerp van de vvgb. De gemeenteraad heeft de bezwaren van de omwonenden tegen het bouwplan dan ook niet kunnen horen.

De Afdeling heeft overwogen dat op grond van artikel 3.11 derde lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zienswijzen mede betrekking kunnen hebben op het ontwerp van een vvgb. Omdat de vvgb niet ter inzage heeft gelegen, mocht het college de door de gemeenteraad afgegeven vvgb niet aan het besluit ten grondslag leggen. Het college was gelet op artikel 6.5 eerste lid van het Bor niet bevoegd om een omgevingsvergunning te verlenen.

Reeds hierom heeft de Afdeling het collegebesluit vernietigd. Om proceseconomische redenen werd door de Afdeling in de uitspraak ook nog ingegaan op de beroepsgrond dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd wegens strijd met de provinciale Omgevingsverordening. In die verordening is bepaald dat een bestemmingsplan niet mag voorzien in de nieuwvestiging van een hoofd- of neventak intensieve veehouderij. De Afdeling heeft overwogen dat het bestaande gebruik van het perceel in dit geval weliswaar in strijd is met de bestemming, maar dat dit gebruik onder het overgangsrecht is gebracht. De Afdeling heeft daarbij opgemerkt dat - zoals de omwonenden ook hebben aangevoerd - met het plan strijdig gebruik in beginsel niet voor een tweede keer onder het overgangsrecht gebracht mag worden. Het bestemmingsplan in kwestie is echter in rechte onaantastbaar, zodat het gebruik ten behoeve van de intensieve veehouderij onder het overgangsrecht geschaard blijft en dus planologisch is toegestaan. Omdat het plan voldoet aan de vereisten die in de Omgevingsverordening ten aanzien van planologisch toegestaan gebruik worden gesteld, is de verleende omgevingsvergunning niet in strijd met het bepaalde in de Omgevingsverordening.

Het college moet op grond van de uitspraak opnieuw beslissen op de aanvraag van de omgevingsvergunning. Waar het college de vergunning wil verlenen moet het eerst een vvgb ter inzage leggen, waartegen zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht. Een nieuwe omgevingsvergunning komt er dus niet voordat de omwonenden zijn gehoord.

ABRvS 19 oktober 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2016:2734

Door mr. drs. A. Schreijenberg

"

Actualiteiten overzicht