Nieuwsbrief voor overheden

Twee uitspraken van verschillende rechters gaan in op de gevolgen van een onderzoek naar plichtsverzuim door een medewerker. De impact van zo’n onderzoek zijn voor zowel de werkgever als de medewerker groot en de vraag werpt zich op welke mogelijkheden er zijn om nadeel ten gevolge van zo’n onderzoek op de andere partij te verhalen. Afhankelijk van de uitkomst van dit onderzoek, natuurlijk.

De eerste uitspraak is van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag over een examinator bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). Ten aanzien van deze examinator bestond het vermoeden dat hij via malafide rijschoolhouders geld aannam van examenkandidaten om deze kandidaten te laten slagen voor hun rijexamen. Het CBR schakelde een bedrijfsrecherchebureau in om deze vermoedens te laten onderzoeken. Nadat het onderzoeksrapport van dit bureau het vermoeden bevestigde, volgde aangifte tegen en vervolging van de bewuste medewerker. Het CBR voegde zich in de strafrechtelijke procedure als benadeelde partij wegens schade ten gevolge van onder andere de kosten van het genoemde onderzoek van € 23.249,32. De strafkamer veroordeelt de verdachte en is verder van oordeel dat de kosten die door het CBR als benadeelde partij zijn gemaakt om het gepleegde strafbare feit aan het licht te brengen als rechtstreekse schade voor toewijzing in aanmerking komen. De strafrechter verwijst hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad van 22 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BB7077). Er is naar het oordeel van de strafkamer geen sprake van dat de vordering van het CBR vanwege haar omvang of het bestaan van lastige civielrechtelijke vragen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Behalve een strafrechtelijke veroordeling en ontslag krijgt deze examinator dus ook de rekening van het onderzoek naar zijn handelwijze gepresenteerd.

Maar moet de werkgever dan ook betalen voor het nadeel van de medewerker, als zo’n onderzoek naar plichtsverzuim uiteindelijk niet tot een rechtens houdbaar ontslag leidt?

Die –alleszins begrijpelijke- vraag deed zich voor bij de Centrale Raad. De betrokken ambtenaar was werkzaam als rijksbeveiliger bij de Rijks Beveiliging Organisatie en werd ontslagen vanwege de diefstal van een stereotoren uit de chauffeurskamer. Dit ontslag blijkt geen stand te houden. Betrokkene stelde dat er sprake is van geestelijk letsel en vroeg een immateriële schadevergoeding van € 10.000.-. De werkgever heeft volgens betrokkene vanuit zijn tunnelvisie het niet nodig geacht een grondig onderzoek te laten verrichten. Betrokkene was behoorlijk aangeslagen door de wijze waarop hij werd bejegend en doordat hij geen contact mocht hebben met zijn collega’s. Hij stelde voorts dat hij ten tijde van het incident een paar maanden getrouwd was en zijn vrouw drie maanden zwanger. Als gevolg van het strafontslag had hij geen recht op een werkloosheidsuitkering, heeft hij een halfjaar thuis gezeten, kreeg hij stressklachten, is hij gaan roken en heeft hij last gekregen van zijn armen. De Centrale Raad wijst de vordering echter af. Volgens vaste rechtspraak kan geestelijk letsel onder omstandigheden worden aangemerkt als een aantasting van de persoon die recht geeft op vergoeding van immateriële schade, maar daarvan zal niet snel sprake zijn. Meer of minder psychisch onbehagen en een zich gekwetst voelen is hiervoor niet voldoende. De Centrale Raad acht het aannemelijk dat betrokkene mentaal is geraakt doordat hem zonder toereikend bewijs is verweten dat hij een stereotoren had weggenomen, met als gevolg dat hem ontslag is verleend, hij geen uitkering ontving en hij geen contact met collega’s mocht onderhouden. Het onrechtmatig ontslag en de gevolgen die dat heeft meegebracht kunnen er naar het oordeel van de Centrale Raad echter op zich niet toe leiden dat sprake is van aantasting van de persoon die recht geeft op schadevergoeding. Ook kan de stelling van betrokkene dat zijn vertrouwen in de kwaliteit van de overheid is geschonden door de onzorgvuldige gang van zaken tijdens het onderzoek naar het plichtsverzuim niet leiden tot het oordeel dat sprake is van geestelijk letsel in vorenbedoelde zin. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat betrokkene is gaan roken en dat hij de huisarts heeft bezocht in verband met lichamelijke klachten. Er is evenmin sprake van een relevante aantasting van zijn eer en goede naam als bedoeld in artikel 6:106 eerste lid aanhef en onder b BW. Voor zover van een aantasting sprake is, is in de uitspraak van de rechtbank waarbij het besluit tot strafontslag is herroepen voldoende genoegdoening gelegen om het geleden nadeel te compenseren. Althans naar het oordeel van de Centrale Raad.

In hun onderlinge samenhang bezien komen deze uitspraken neer op een tamelijk hardvochtige lijn tegenover de werknemer. Als een onderzoek uitwijst dat vermoedens van plichtsverzuim gegrond zijn, kunnen de kosten van het onderzoek op de betreffende medewerker worden verhaald. Blijkt het onderzoek en het daaropvolgende ontslag in rechte geen stand te houden, dan wordt de werkgever niet snel schadeplichtig. Alle ellende die dit voor de betreffende medewerker teweeg heeft gebracht levert slechts onder stringente voorwaarden een bescheiden recht op schadevergoeding op.

Rb ‘s-Gravenhage 18 april 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBDHA:2016:4051

CRvB 24 maart 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:1060

Door mr. drs. B.F.Th. de Moor

"

Actualiteiten overzicht